Vrijwel niemand zal beweren dat de Bijbel overspel goedkeurt. Maar hoe zit het met de vraag of seks voor het huwelijk is toegestaan? Wat heeft de Bijbel hierover te zeggen?

Met enige regelmaat wordt door jongvolwassenen een vraag gesteld met betrekking tot seks voor het huwelijk vanuit Bijbels perspectief: “Mijn ouders hebben mij altijd geleerd dat de Bijbel een seksuele relatie buitenom het huwelijk verbiedt. Ik heb de Bijbel daarop bestudeerd, en wat ik wel zie is dat de Bijbel overspel in de zin van seks met een persoon die met een ander getrouwd is, veroordeelt. Ik vind echter geen uitdrukkelijk verbod dat seks voor het huwelijk verbiedt. Waarop baseert de Kerk haar standpunt dat seks voor het huwelijk zonde is en dus tegen de wil van God ingaat?”
De hedendaagse visie dat seks voor het huwelijk toegestaan zou zijn omdat de Bijbel het niet duidelijk verbiedt, wijkt duidelijk af van het begrip van de Schrift, zoals dat eeuwenlang onder joden en christenen vanzelfsprekend was.
Inderdaad vindt men in de Bijbel niet een regel die luidt: “Gij zult geen seks voor het huwelijk hebben.” Maar als men zijn gedrag alleen wil afstemmen op duidelijke verboden, die zal evenmin verboden tegenkomen in de Bijbel die luiden: “Gij zult niet roken”, “Gij zult geen drugs gebruiken”, “Gij zult niet meer dan één vrouw hebben” (verbod op polygamie) etc.
Om hieruit het bewijs af te leiden dat iets toegestaan is, louter en alleen omdat de Bijbel het niet nadrukkelijk verbiedt, is een oneigenlijk argument. Bij alle oneigenlijke argumenten kan je ook het tegendeel als bewijs aanvoeren: omdat de Bijbel seks voor het huwelijk niet nadrukkelijk toestaat, is het verboden. (Overigens wordt op geen enkele plek in de Bijbel seks voor of buiten het huwelijk goedgekeurd).
Bij het beantwoorden van vragen, waarbij het gaat om inzicht te krijgen in de levenswijze, die God van christenen verwacht, moet een belangrijk principe van de christelijke levensstijl overwogen worden: wij moeten geen onnutte slaven zijn! Volgens Jezus is een onnutte slaaf iemand die slechts dat doet (of nalaat) wat hem opgedragen (of verboden) is (Lukas 17:7-10).
In christelijke zin is dat iemand die slechts de letter van de wet volgt, terwijl het onderliggende principe hem ontgaat. Deze houding drukt het volgende uit: ‘Ik wil precies weten wat God van mij verlangt, zodat ik precies datgene kan doen.’ Nuttige slaven zijn wij daarentegen als wij ons bezighouden met de geest van de wet, die verder strekt dan de letter van de wet en zich sowieso niet in precieze voorschriften laat vatten.
Maar hoe zit het dan? Staat de Bijbel seks voor of buiten het huwelijk toe? Als men de Bijbel onbevooroordeeld leest, dan is er maar één eenduidig antwoord op deze vraag.

De oorsprong van seks
Bij de schepping van de mensen gaf God hun twee geboden. Ze moeten over de schepping heersen, vruchtbaar zijn en zich vermeerderen (Genesis 1:26-28). Nadat God de eerste man en vrouw geschapen had, vatte Hij de kwaliteit van Zijn schepping samen met het predicaat “zeer goed”. In Genesis 1:31 staat: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” Daaronder vielen ook de eerste beide mensen en hun geslacht alsmede de mogelijkheid om zich voort te planten door middel van geslachtsgemeenschap.
Als Schepper van de mens had God ons met andere geslachtsorganen kunnen uitrusten. Zo heeft Hij bij veel planten en enkele dieren een geslachtsloze voortplanting geschapen. Voor de mensen schiep God echter de mogelijkheid om zich voort te planten middels de geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw. Deze gemeenschap/omgang noemt de Bijbel “natuurlijk”. De menselijke seksualiteit dient echter niet alleen de voortplanting, maar is ook een uitdrukkingsmogelijkheid van de liefde tussen echtparen. Ze bevordert de verdieping en bevestiging van de echtelijke verbintenis.
Voor welke intermenselijke relaties heeft God seks voorzien? Jezus Christus geeft ons het antwoord in Zijn uiteenzetting over het huwelijk tegenover de Farizeeën. In Mattheüs 19:3 lezen we: “En de Farizeeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken en zeiden tegen Hem: Is het een man toegestaan zijn vrouw om allerlei redenen te verstoten?”
Let hier goed op de context: de vraag van de Farizeeën had niets te maken met de persoon “met wie men in de toekomst wil gaan trouwen” of met de persoon “met wie men op dit moment een relatie heeft”, oftewel degenen die hier het onderwerp van de bewuste vraag zijn, namelijk of de Bijbel, en dus God, seks buiten het huwelijk goedkeurt.
De vraag van de Farizeeën had daarentegen betrekking op het huwelijk. Jezus’ antwoord op deze vraag had ook betrekking op het huwelijk: “Hebt u niet gelezen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft, en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees?” (Mattheüs 19:4-6; nadruk onzerzijds).
(Het feit dat “één vlees” slaat op de lichamelijke eenwording door geslachtsverkeer, volgt uit de waarschuwing van de apostel Paulus in 1 Korinthe 6:15-16: “Weet u niet dat uw lichamen leden zijn van Christus? Zal ik dan de leden van Christus nemen en die maken tot leden van een hoer? Volstrekt niet! Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees zijn.”)
Waarover spreekt Jezus in Zijn antwoord op de vraag van de Farizeeën? Over het huwelijk, de echtverbintenis, tussen twee mensen! Hier bevestigt Jezus, Die als het Woord de eerste twee mensen heeft geschapen en hun verteld heeft dat ze seks met elkaar horen te hebben, dat het huwelijk een goddelijke instelling is. Het is niet iets wat door de mensen uitgevonden is of dat na jarenlang experimenteren met diverse vormen van samenleving aangenomen is. Het is door God bij de schepping van de mens ingesteld!
En hier bevestigt Jezus dat seks hoort bij het huwelijk en daarvoor bedoeld is. Met andere woorden: seksuele omgang is voor het huwelijk bedoeld, en het huwelijk voor de seksuele omgang. In geen enkele andere vorm wordt seks door de Schrift (en dus door God) goedgekeurd: seksuele omgang is bestemd voor het huwelijk, waarin twee mensen “één vlees” worden.

Joods begrip van de Schrift
De joodse traditie met betrekking tot seks vóór het huwelijk was eveneens duidelijk: daarin was seks vóór het huwelijk niet toegestaan. Zo geloven de joden bijvoorbeeld dat Jakobs lievelingszoon Jozef erop stond dat hij en zijn toekomstige, Egyptische vrouw Asnath geen seks vóór het huwelijk zouden hebben. De Bijbel beschrijft Jozefs voorhuwelijkse betrekking tot Asnath niet, en zijn huwelijk met haar wordt slechts terloops in de Schrift genoemd (Genesis 41:45, 50-52).
De latere joodse “verfraaiing” van deze korte vermelding in de Bijbel geeft een weerspiegeling van de morele zienswijze van de Joden op de Bijbel weer: seks vóór het huwelijk is zonde. In het Nieuwe Testament zien we aan de hand van het verhaal van Jezus’ ouders, Jozef en Maria, hoe deze traditionele norm vormgaf aan de joodse omgangsvormen. Vóór Jezus’ geboorte waren Jozef en Maria verloofd. Een joodse verloving in die tijd was niet hetzelfde als een verloving in onze huidige, westerse maatschappij.
Een verloving was in die tijd even “bindend” als de daarop volgende huwelijkssluiting. Daarom moest normaal gesproken een verloving, net als een huwelijk, in voorkomend geval officieel (openlijk) beëindigd worden. Toen Jozef zijn verloving met Maria wilde beëindigen, wilde hij Maria “niet in het openbaar te schande (…) maken”, maar haar “onopgemerkt verlaten” (Mattheüs 1:19).
Een verloving in de joodse cultuur van 2000 jaar geleden onderscheidde zich echter van het daarop volgende huwelijk in één wezenlijk aspect: het verloofde paar had geen seks vóór het huwelijk. Waaruit kunnen we dat opmaken? Uit de beweegreden voor Jozefs voornemen om de verloving met Maria te beëindigen: “Terwijl Maria (…) met Jozef in ondertrouw was, bleek zij, nog voordat zij samengekomen waren, zwanger te zijn” (Mattheüs 1:18). Met “samengekomen waren” werd de toekomstige huwelijkssluiting en het begin van de gemeenschappelijke huishouding bedoeld. Jozef wist dat hij niet de vader van het Kind was, omdat hij geen seks met Maria had gehad! Uit de formulering blijkt ook dat Jozef en Maria in de tijd van hun verloving, dus vóórdat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en dus van een huwelijkssluiting, niet samenwoonden.
Het jodendom uit die tijd beschouwde vóór- en buitenechtelijke seks zonde, en Jezus sprak deze zienswijze op geen enkele wijze tegen. Deze traditionele, joodse opvatting klinkt door in uitspraken uit het Nieuwe Testament en werd door de vroege Kerk overgenomen. Paulus, een jood, stelde duidelijk dat seks alléén binnen het huwelijk hoorde plaats te vinden: “Maar laat vanwege allerlei vormen van hoererij iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man” (1 Korinthe 7:2).
Hier spreekt Paulus tot ongehuwden. Als ongehuwden geen weerstand konden bieden aan de aantrekkingskracht van seks, moeten ze volgens Paulus niet met degene “met wie ze ooit willen trouwen” of met degene “met wie ze op dat moment een relatie hebben” seks hebben, maar juist trouwen! Dit spreekt Paulus nadrukkelijk uit in vers 8 en 9: “Maar ik zeg tegen de ongehuwden en de weduwen: Het is goed voor hen, als zij blijven zoals ik. Maar als zij zich niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen, want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.” Paulus’ standpunt is hetzelfde als het standpunt dat de joden eeuwenlang hebben ingenomen: seksuele omgang hoort voor een christen alleen binnen het huwelijk plaats te vinden.

Meer dan alleen overspel en echtbreuk
In het Nieuwe Testament zien we dat de geestelijke betekenis van het zevende gebod (“Gij zult niet echtbreken”) veel méér omvat dan alleen het verbod op echtscheiding en het verbod op seks met iemand die gehuwd is. Aangezien God bij de schepping van de mens seks alleen noemt in verband met het huwelijk, slaat overspel en echtbreuk dus op alle seksuele omgang buitenom het huwelijk.
In dit verband schrijft de auteur van de brief aan de Hebreeën: “Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksbed onbevlekt, want ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen” (Hebreeën 13:4). Hier blijkt duidelijk dat de geestelijke betekenis van het zevende gebod niet alleen betrekking heeft op gehuwden, want ook de “ontuchtple– gers”, die niet in directe zin overspel plegen, onteren het huwelijk, waarvoor seksuele omgang bestemd is, en om die reden worden ook zij door God geoordeeld.
Met betrekking tot de omgang onder alleenstaanden in de gemeente voegt de apostel Paulus toe: “Want dit is de wil van God: uw heiliging, dat u uzelf onthoudt van de ontucht, en dat ieder van u zijn lichaam weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid, en niet in hartstochtelijke begeerte, zoals de heidenen, die God niet kennen” (1 Thessalonicenzen 4:3-5).
Uit diverse andere vertalingen blijkt dat Paulus schrijft tot mensen die op zoek zijn naar een echtgenote (zie bijvoorbeeld vers 4 van de Leidse Vertaling: “Ieder uwer moet weten zich een eigen vrouw te verwerven”, of van de Canisius Vertaling: “Dat ieder van u zijn eigen vrouw weet te verwerven”). Hij kan dus met zijn vermaning niet gedoeld hebben op overspel of echtbreuk. In de Romeinse cultuur van die tijd was overspel verboden en werd het zelfs als een misdaad beschouwd (zie bijvoorbeeld 1 Korinthe 5:1, “(…) hoererij (…) waarvan zelfs onder de heidenen geen sprake is”). In tegenstelling daarmee was voor- of buitenechtelijke seks in die samenleving geen probleem. Toen Paulus de christenen uit zijn tijd aanmaande om zich in hun zoektocht naar een huwelijkspartner “niet in hartstochtelijke begeerte, zoals de heidenen” te gedragen, verwees hij duidelijk naar de situatie vóór het huwelijk. De christenen uit de heidenen hoorden zich zodanig van de andere heidenen te onderscheiden, dat ook zij – net als hun geloofsgenoten uit de Joden – vóór- en buitenechtelijke seks als zonde beschouwen.

Wat is porneia?
Het Griekse woord dat in 1 Thessalonicenzen 4:3 met “ontucht” wordt vertaald, is porneia. Dit woord komt in het Nieuwe Testament 25 keer voor en wordt meestal met “ontucht” of “hoererij” vertaald. Ontucht en aanverwante woorden worden ook wel gedefinieerd als “aanstootgevend” of “pervers”. Hoe dienen we ontucht respectievelijk porneia binnen het kader van het Nieuwe Testament op te vatten?
Onder de term porneia verstonden de Grieken toentertijd in het algemeen iets wat pervers was, een perversie. In de niet-religieuze, Griekse literatuur uit de tijd van het Nieuwe Testament heeft porneia onder andere betrekking op prostitutie, homoseksualiteit, overspel, incest en andere vormen van ongeoorloofde seksuele omgang. Heeft porneia in het Nieuwe Testament ook betrekking op voorhuwelijkse seks? Toen de Joden Jezus in diskrediet trachtten te brengen, wezen ze op de ongewone situatie rondom Zijn geboorte: “Wij zijn niet geboren uit hoererij [porneia]” (Johannes 8:41). Aangezien Jezus’ fysieke ouders op het moment van Zijn verwekking niet gehuwd waren, kan porneia in dit verband alleen betrekking hebben op vóór- of buitenechtelijke seks.
Hoererij is de Bijbelse aanduiding voor vóór- en buitenechtelijke seks, als er geen sprake is van overspel in de zin van echtbreuk (zie bijvoorbeeld Deuteronomium 22:20-22). Zo bestaat er een direct verband tussen de Bijbelse term voor vóór- en buitenechtelijke seks en het algemene gebruik van het Griekse woord porneia in de tijd van het Nieuwe Testament. Porneia werd dus ook gebruikt voor ongeoorloofde seksuele omgang, dat niet hetzelfde is als echtbreuk/overspel: “Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht [porneia], diefstal, valse getuigenissen, lasteringen” (Mattheüs 15:19).
In Jezus’ onderwijs met betrekking tot het huwelijk kan porneia alleen slaan op voorhuwelijkse seks: “Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij [porneia], maakt dat zij overspel [moicheia] pleegt” (Mattheüs 5:32).
Zou porneia hier de betekenis hebben gehad van overspel in de zin van echtbreuk, dan zou Jezus hier dus eigenlijk gezegd hebben, dat men zijn eigen vrouw wegens echtbreuk verstoot en daarmee nog meer echtbreuk veroorzaakt. Jezus spreekt hier over voorhuwelijkse seks, zoals bijvoorbeeld bedoeld is in Deuteronomium 22:20-22.
Maar ook in de eerder aangehaalde vermaning van de apostel Paulus in 1 Korinthe 7:2 komt porneia in de betekenis van buitenechtelijke seks voor: “Maar laat vanwege allerlei vormen van hoererij [porneia] iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.” Als het huwelijk de oplossing van de seksuele verleiding is, kan hier met porneia alleen buitenechtelijke seks bedoeld zijn.

De bekrachtiging van het huwelijk door de Schepper
Aangezien God vanaf het begin geslachtsgemeenschap bestemd had voor het huwelijk tussen een man en een vrouw, is elke andere vorm van seks een perversie van wat de Schepper geheiligd heeft: seks binnen het huwelijk.
De intimiteit van het geslachtsverkeer komt naar voren in het woord dat de Bijbel voor lichamelijke eenwording binnen het huwelijk gebruikt. In Genesis 4:1 lezen we dat Adam zijn vrouw Eva “bekende” (o.a. Statenvertaling en Luther Vertaling). Het werkwoord “bekennen” geeft de geweldige betekenis weer die seksualiteit binnen het huwelijk heeft. Een man en een vrouw die lichamelijk één geworden zijn, leren elkaar op de meest intieme manier die er voor mensen is, kennen. Door het wederzijdse geven is er sprake van een verdieping van hun liefdesrelatie. Dat is wat God wil en wat Hij vanaf het begin heeft bedoeld. Nergens stelt de Bijbel seks binnen het huwelijk voor als iets slechts of smerigs. Net zomin keurt de Bijbel ook maar ergens seks vóór of buiten het huwelijk goed.
De vraag waarom seks tussen ongehuwde volwassenen, die dat beiden willen en die van elkaar houden, verkeerd zou zijn, blijft wellicht nog overeind staan. Men zal echter tevergeefs in de Bijbel naar voorbeelden zoeken die dit gedrag goedkeuren. In plaats daarvan treft men in het begin van de Bijbel de enige intermenselijke betrekking aan waarin seks de goedkeuring van de Schepper weg kan dragen – het huwelijk: “Hij Die de mens gemaakt heeft, hen van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft, en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.”

Geestelijke hoererij


Naast het fysieke aspect van dit onderwerp is er ook nog een geestelijk aspect. Hoewel het onderwerp van dit supplement slaat op het fysieke aspect, willen we hier toch nog kort het geestelijke aspect aanstippen. Het huwelijk is een voorafschaduwing van het huwelijk dat Jezus Christus zal aangaan met Zijn bruid, de gemeente. Kan er bij ons, de gemeente, ook sprake zijn van hoererij in geestelijk opzicht? Als we naar de Bijbel kijken, zien we daarin talloze voorbeelden van het volk Israël dat verweten wordt dat het in geestelijk opzicht hoererij pleegt door de afgoden van de omringende volken te dienen en God te verlaten. Een welbekend voorbeeld hiervan is te vinden in Ezechiël 23, het verhaal over de twee zusters Ohola (symbolisch voor Samaria of het noordelijke tienstammenrijk Israël) en Oholiba (symbolisch voor Jeruzalem of het zuidelijke tweestammenrijk Juda). Van deze twee zusters wordt gezegd dat zij al in hun jeugd (dus vóór hun huwelijk met God, Ezechiël 23:4) ontucht (NBG) of hoererij (HSV) pleegden (Ezechiël 23:3, 19). Dit deden zij voornamelijk door zich te verontreinigen met de afgoden van de hen omringende volken, terwijl het Gods bedoeling was geweest dat het volk Israël tot voorbeeld voor deze volken zou dienen, een modelnatie. “Zie, ik heb u de verordeningen en bepalingen geleerd (…) om zo te handelen in het midden van het land waarin u zult komen (…) Neem ze in acht en doe ze; want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn voor de ogen van de volken, die al deze verordeningen horen zullen en zullen zeggen: Werkelijk, dit grote volk is een wijs en verstandig volk!” (Deuteronomium 4:5-6). Wij vormen als gelovigen het geestelijke volk Israël (Romeinen 4:16), zodat dus ook voor ons geldt dat wij Gods verordeningen in acht behoren te nemen als voorbeeld voor de mensen om ons heen (zie 1 Petrus 2:12). We moeten voorkomen dat wij in geestelijke afgoderij vervallen. Wie (of wat) heeft de hoogste prioriteit in ons leven? Zaken als huis, werk, status kunnen ons van God afleiden. Maar ook (overmatige) zorgen en angsten kunnen dat. Wie/wat dienen wij?

In een volgend supplement zullen we nader ingaan op geestelijke hoererij: het dienen van afgoden.

%d bloggers liken dit: