De Bijbelse rustdag – zaterdag of zondag?

pdf-iconPDF-bestand

Inleiding
De samenleving heeft de laatste tientallen jaren verbazingwekkende veranderingen ondergaan. Iedereen schijnt te leven in een koortsachtig tempo, zich voortdurend overal heen haastend om alles te regelen. De technologische ontwikkelingen die ons ooit meer vrije tijd beloofden, schijnen ons nu alleen maar nog verder voorbij te streven, waardoor het steeds moeilijker wordt achterstanden in te halen.

Dus proberen we wanhopig alles zo snel mogelijk af te handelen. We voelen ons eenzaam, alsof we met niemand echt contact hebben – niet met onze man of vrouw, niet met onze kinderen, niet met de wereld om ons heen, en niet met God.

Degene die zowel dit heelal als ieder van ons geschapen heeft, gaf ons een geïnspireerde openbaring, de instructie en waarheid van God (II Timotheüs 3:15-17; Johannes 17:17). Deze vertelt ons wat wij moeten weten over het doel van ons leven, waarom wij hier op aarde zijn, waarheen wij op weg zijn, en het belangrijkste: hoe wij moeten leven.

Deze openbaring vertelt ons dat God duizenden jaren geleden aan een volk een stelsel van wetten gaf, met de belofte dat deze mensen gezegend zouden worden als zij die wetten onderhielden. “Heel de weg, die de HERE, uw God, u geboden heeft, zult gij gaan, opdat gij leeft en het u wèl ga” (Deuteronomium 5:33).

De wet die God hun gaf wordt samengevat in de Tien Geboden. Deze zijn de basisgids voor ons leven, waardoor ons getoond wordt hoe wij een juiste relatie kunnen hebben met onze Schepper en onze
medemens.

Het meest algemeen verkeerd begrepen en verkeerd toegepast is het door God gegeven gebod: “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt” (Exodus 20:8). Veel mensen zien de sabbat als een vreemd overblijfsel uit de geschiedenis, iets dat misschien ooit in het verleden een aardig idee was, maar volkomen onpraktisch in alle drukte van de wereld van vandaag. Sommigen denken dat de sabbat de zondag is en dat de bedoeling van het sabbatsgebod vervuld wordt door op zondagmorgen één of twee uur in de kerk door te brengen.

Anderen denken dat Jezus Christus het houden van een specifieke rustdag afschafte, of de noodzaak om op een bepaalde dag een eredienst bij te wonen, en dat iedere tijd waarop men verkiest God te vereren, heilig is.

Er lijken eindeloos veel vragen en meningen te zijn over dit gebod. Hield Jezus de sabbat omdat Hij Joods was, of overtrad Hij het sabbatsgebod, waardoor de religieuze leiders in Zijn tijd ertoe gebracht werden Hem te willen doden? Heeft de apostel Paulus (die meer boeken van het Nieuwe Testament schreef dan enige andere schrijver) uitgelegd dat het houden van de sabbat voor christenen niet meer noodzakelijk is, of heeft hij het tegendeel bevestigd?

Werd de sabbat veroordeeld en veranderd in de vroege nieuwtestamentische Kerk, of bekrachtigd? Heiligde God de sabbat ten tijde van de schepping van Adam en Eva, of zette Hij de sabbat apart als heilige
tijd bij de uittocht uit Egypte, meer dan 200 jaar later? Werd de sabbat verschoven van de zevende dag van de week naar een andere dag, en zo ja, wanneer?

Waarom heeft God eigenlijk een rustdag geboden? Had Hij daarmee een doel voor ogen, en zo ja, wat is dat doel? Heeft de sabbat nog enige betekenis voor de mensheid heden ten dage? Heeft het houden van de
sabbat nog zin in de wereld van vandaag? Zo zijn er nog vele vragen.

Waarom is er zo’n verwarring over één van de tien fundamentele principes en wetten die God de mensheid gaf? Waarom is er zo’n controverse en verdeeldheid over dit ene gebod, terwijl de meeste mensen, inclusief religieuze leiders en hun kerken, nauwelijks van mening verschillen over de andere negen?

Er zijn antwoorden op deze vragen en we behoeven niet ver te zoeken. Ze zijn te vinden in de Bijbel. In de volgende hoofdstukken zullen wij deze fundamentele vragen beantwoorden en in de Bijbel de betekenis
ontdekken van Gods sabbatsrust.

De sabbat: “In den beginne . . .”

“Toen God op de zevende dag het werk voltooid had . . . rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht” (Genesis  2:2-3).

Als men aan de sabbat denkt, denkt men dikwijls ook aan de Tien Geboden die God gaf nadat Israël onder leiding van Mozes Egypte verlaten had. De gebeurtenissen uit die periode van de geschiedenis van Israël –
de uittocht, of “exodus” – waren buitengewoon. De plagen die over Egypte kwamen, de dood van alle eerstgeborenen van Egypte, het scheiden van de Rode Zee, het manna dat uit de hemel kwam en het door God aan Mozes geven van de Tien Geboden op stenen tafelen, dit waren allemaal wonderbaarlijke voorvallen.

Het waren de indrukwekkende tekenen van de geboorte van een nieuwe natie. En temidden van deze ongelooflijke eerste gebeurtenissen gaf God aan Zijn nieuwe volk opdracht iets te gedenken. “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt,” gebood Hij Zijn volk (Exodus 20:8).

Hij verwees terug naar de schepping en herinnerde hen daaraan: “in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die” (vers 11).

Het sabbatsgebod had een belangrijk geestelijk doel. Het verwees Gods volk naar God als hun Schepper. Het was een verplichte wekelijkse herinnering aan het feit dat er een hogere macht en autoriteit werkzaam is in ons leven en in het leven van de gehele mensheid. Gods bedoeling was dat de sabbat gehouden zou worden als herinnering aan dat feit.

De sabbat geopenbaard door wonderen
De betekenis van de sabbat was reeds duidelijk voordat God de Tien Geboden aan het volk Israël gaf. Zo kwam Israël bijvoorbeeld een paar weken daarvoor, na de doortocht door de Rode Zee en het zien vernietigen van Farao’s legers, in de uitgestrekte woestijn van het schiereiland Sinai. Binnen enkele dagen waren de voedselvoorraden van de Israëlieten, die zij meegebracht hadden uit Egypte, uitgeput. “Gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen,” riepen zij tot Mozes (Exodus 16:3).

God was echter al een stap verder. Hij beloofde manna te zenden, een wonderbaarlijke substantie om hen te voeden en versterken tijdens hun verblijf in de woestijn (vers 4, 15-18).

Maar God stelde een voorwaarde. Van elke periode van zeven dagen zou Hij het manna slechts zes dagen geven. Op de zesde dag zou er tweemaal zoveel zijn als gewoonlijk, maar op de zevende zou er niets zijn
(vers 5, 22). Mozes gaf het volk uitleg over wat God hem had gezegd: “een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE . . . laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren . . . Zes dagen zult gij het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat; dan is het er niet” (vers 23, 26).

Maar sommigen luisterden niet: “Toen er dan ook van het volk op de zevende dag heengingen om wat te verzamelen, vonden zij het niet” (vers 27).

Wat was Gods reactie op deze schaamteloze ongehoorzaamheid? “Hoelang weigert gij Mijn geboden en wetten te onderhouden? Bedenkt, dat de HERE u de sabbat gegeven heeft; daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven; niemand mag zijn plaats op de zevende dag verlaten” (vers 28-29).

Hier, verscheidene weken voordat Hij Mozes op de berg Sinai de Tien Geboden gaf, zei God dat de Israëlieten weigerden Zijn geboden en wetten te houden! Hij zei ook dat “de HERE u de sabbat gegeven heeft
. . .” Hij zei niet “geeft” of “zal geven“; Hij had hun de sabbat reeds gegeven, om iedere zevende dag gehouden te worden!

Toen God, door middel van Mozes, Israël gebood: “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt” (Exodus 20:8), en de Israëlieten vertelde dat zij weigerden “Mijn geboden en wetten te onderhouden” door het
schenden van de sabbat vóór de berg Sinai (Exodus 16:28), verwees Hij hen naar de oorspronkelijke scheppingsweek.

Sabbat apart gezet
In het boek Genesis lezen wij hoe God de aarde schiep, deze vulde met planten en dieren en vormde tot een verblijfplaats van oogverblindende schoonheid voor de eerste man en vrouw, Adam en Eva. We lezen
hier over het werkelijke begin van de sabbat: “Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht” (Genesis 2:2-3).

Deze dag was anders dan de andere dagen van de scheppingsweek. God zegende de zevende dag en heiligde die. Het woord heiligen betekent als heilig apart zetten; God zette de zevende dag specifiek apart als heilige dag. We lezen driemaal in deze twee verzen dat God niet werkte op deze dag. De nadruk ligt op het feit dat dit Zijn rustdag was. Het was Gods sabbatsrust.

Sommige mensen betwisten deze interpretatie en zeggen dat dit niet het begin was van de geboden rustdag, omdat het woord sabbat hier niet genoemd wordt. Het Hebreeuwse woord dat vertaald is met “rustte” is shabath , waarvan ons woord “sabbat” afkomstig is. Shabath  betekent ophouden, of rusten, en daardoor krijgt de sabbat debetekenis van “een dag van rust“. We kunnen het verslag in Genesis 2 ook weergeven als “God sabbatte op de zevende dag van al Zijn werk.” De Hebreeuwse taal is duidelijk en ondubbelzinnig in haar bedoeling.

Sabbat gemaakt voor de mens
Het is merkwaardig dat sommigen nog stellen dat dit niet bewijst dat de sabbat reeds bestond vanaf de scheppingsweek, maar dat deze dag pas voor Israël werd ingesteld op de berg Sinai en toen alleen aan het
fysieke volk Israël gegeven werd, voor een beperkte tijd.

Jezus Christus Zelf weersprak deze theorie. “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat,” legde Hij uit aan sommigen die de bedoeling ervan volkomen verkeerd begrepen hadden (Markus 2:27). Hij verklaarde het grote basisprincipe van de sabbat, dat zo velen door de eeuwen heen niet hebben begrepen: de bedoeling van de sabbat is niet het opleggen van een zware verplichting of van een lijst met verboden activiteiten; de sabbat is iets dat God gemaakt heeft voor de mens! Deze dag werd apart gezet (geheiligd) toen God de mens maakte, waarbij Hij eerst Adam en Eva schiep op de zesde dag van de scheppingsweek en daarna de sabbat op de volgende dag (Genesis 1:26-31; 2:1-3).

Voor Jezus Christus was de sabbat positief en heilzaam, niet de drukkende last die sommige religieuze leiders van Zijn tijd ervan gemaakt hadden. Let op Jezus’ woordkeus. De sabbat was niet alleen iets voor het volk Israël; Hij zei dat de sabbat gemaakt was voor de mens – voor de gehele mensheid – en dat het houden ervan niet een zinloos gebruik was dat de mensen alleen was opgelegd om ongemak en problemen te veroorzaken. De zevende dag werd gemaakt voor de mens en werd juist geschapen tot voordeel en welzijn van de mensheid!

Jezus begreep het doel van Gods wet, inclusief de sabbat – dat God deze bedoeld had als een zegen en weldaad voor de mensheid. Sprekend door middel van Mozes had God reeds eerder Israël gezegd “de HERE, uw God, lief te hebben door in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden.

Waarom? “Opdat gij leeft en talrijk wordt en de HERE, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemen” (Deuteronomium 30:16).

Nadat hij Israël gedurende 40 jaar door de woestijn geleid had, sprak Mozes over de ervaringen van de Israëlieten, vlak voordat zij het beloofde land binnengingen. Hij begreep hoe wonderbaarlijk de wet was die zij van God hadden ontvangen, en dat deze wet uniek was. “Zie, ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de HERE, mijn God, mij geboden had . . . Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie . . . welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig, als heel deze wet, die ik u heden voorleg?” (Deuteronomium 4:5-8).

God wilde dat de sabbat een zegen was voor degenen die deze dag zouden houden zoals God bedoeld had. De feitelijke instructies van God betreffende de sabbat waren kort, maar ze geven waardevol inzicht in de bedoeling ervan. Laten we eens sommige van deze instructies nader bezien.

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die” (Exodus 20:8-11).

Rust voor het gehele huis
We zien dat alle bewoners van een huis op de sabbat moesten rusten van hun werk, zelfs de dienstknechten, gasten en dieren. Allen moesten iedere zevende dag rusten van hun normale, dagelijkse werk. Alle gezinsleden en huisgenoten werden specifiek genoemd: ouders, zonen, dochters, dienstknechten en gasten. Als niemand het normale werk deed, was het aannemelijk dat iedereen een groot deel van de sabbat zou doorbrengen met andere gezinsleden of huisgenoten.

Het gebod om de sabbat te houden in alle huisgezinnen wordt bevestigd in Leviticus 23:1-3, waar God andere verplichte religieuze vieringen noemt en waar Hij ook duidelijk maakt dat de sabbat Zijn heilige tijd is, niet die van Mozes of Israël. “Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: De feesttijden des HEREN, die gij zult uitroepen als heilige samenkomsten, zijn Mijn feesttijden. Zes dagen mag arbeid verricht worden, maar
op de zevende dag zal er een volkomen sabbat zijn: een heilige samenkomst; generlei arbeid zult gij verrichten, het is een sabbat voor de HERE in al uw woonplaatsen.”

De sabbat was niet alleen maar een godsdienstig ritueel voor de tabernakel; de sabbat was een viering voor elk individueel huisgezin, overal in het land.

Bevrijding van slavernij
We kunnen meer bijzonderheden vinden over Gods bedoeling in het schriftgedeelte waar de Tien geboden herhaald worden, in Deuteronomium 5:12-15: “Onderhoud de sabbatdag, dat gij die heiligt, zoals de
HERE, uw God, u geboden heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm; daarom heeft u de HERE, uw God, geboden de sabbatdag te houden.

In dit onderdeel van de Geboden wordt voor Gods volk een ander aspect van het houden van de sabbat toegevoegd: te gedenken dat zij slaven waren geweest in Egypte en dat “de HERE, uw God, u vandaar heeft
uitgeleid met een sterke hand.”

De sabbat was een wekelijkse herinnering aan Israëls eenvoudige afkomst als slaven in Egypte, en aan het feit dat God Zijn mensen door machtige wonderen had bevrijd en hen tot een volk had gemaakt. Nu Hij hun rust had gegeven van hun slavernij, behoorde in het gehele land iedereen op de sabbat te rusten en verkwikt te worden, en ook dienstknechten werden specifiek in dat gebod genoemd. Zoals God de Israëlieten rust had gegeven, werd hun het gebod gegeven dat zij zelf ook hun dienstknechten zouden laten rusten; een bijkomende herinnering aan het feit dat de sabbat een zegen behoorde te zijn voor iedereen.

Aan de Israëlieten werd duidelijk opdracht gegeven deze gebeurtenissen te gedenken in verband met de sabbat. God herinnerde de Israëlieten door Mozes dikwijls aan wat zij ervaren hadden en hoe Hij bij vele gelegenheden op wonderbaarlijke wijze voor hen tussenbeide was gekomen.

Op vergelijkbare wijze is de sabbat nu voor christenen een belangrijke herinnering aan hun bevrijding. Door Gods barmhartigheid en Christus’ offer worden christenen verlost uit de geestelijke slavernij van zonde en dood, om na deze bevrijding God te gaan dienen (Romeinen 6:16-23; II Petrus 2:19).

Hij waarschuwde hen die gebeurtenissen nooit te vergeten: “Alleen neem u ervoor in acht . . . dat gij de dingen die gij met eigen ogen gezien hebt, niet vergeet, en zij niet uit uw hart wijken zolang gij leeft; maak ze aan uw kinderen en kindskinderen bekend” (Deuteronomium 4:9). “Neem u er dan voor in acht, dat gij de HERE niet vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft” (Deuteronomium 6:12). “[Neem u ervoor in acht, opdat] uw hart zich niet verheffe, en gij de HERE, uw God, vergeet, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft” (Deuteronomium 8:14).

Religieuze instructie, onderwijs en vreugde
Merk op dat God de Israëlieten ook opdracht gaf hun kinderen Zijn wetten en wegen te leren. Onmiddellijk na het herhalen van de Tien Geboden in Deuteronomium 5, gebood God de Israëlieten: “Wat ik u heden
gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat” (Deuteronomium 6:6-7).

De sabbat was dus een tijd voor religieuze instructie, voor onderwijs en het leren van Gods wonderbaarlijke daden en wetten. Het gebruikelijke werk was verboden en Gods grote wonderen moesten worden herdacht op deze dag. “De geest van de sabbat was dus vreugde, verkwikking en barmhartigheid, voortkomend uit het gedenken van Gods goedheid als Schepper en als Verlosser uit slavernij . . . Op deze dag was het de gewoonte van het volk om . . . hun kinderen onderricht te geven in de waarheden die in herinnering werden gebracht door de dag, een onderricht dat herhaaldelijk wordt opgelegd als de ouderlijke plicht . . .”  (Smith’s Bible Dictionary, onder “Sabbath”).

Op deze manier gehouden was de sabbat werkelijk de zegen en verlustiging die God bedoelde, een dag van omgang met de Schepper, door het leren, overdenken en beoefenen van Zijn wetten en wegen.

Jezus Christus en de sabbat
“En Hij [Jezus Christus] zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat” (Markus 2:27-28).

Hoe zag Jezus Christus de sabbat? Veel mensen zien alleen wat zij willen zien met betrekking tot Christus’ benadering van de zevende dag. Sommigen geloven, op grond van misverstanden, dat Jezus Christus
het sabbatsgebod negeerde of doelbewust overtrad.

In feite wordt de sabbat bijna 50 keer genoemd in de vier evangeliën (vaker dan in de eerste vijf boeken van de Bijbel!), dus er is meer dan voldoende historisch verslag van Zijn houding ten opzichte van de sabbat. Om de evangeliën te begrijpen moeten wij echter begrijpen hoezeer het houden van de sabbat was veranderd – of, beter gezegd, hoe daar verandering in was aangebracht – nadat het bij de schepping was ingesteld en later opgenomen in de Tien Geboden.

De sabbat in de geschiedenis
Het houden van de sabbat onderging een grote verandering in de laatste eeuwen voor de tijd van Christus. In het voorgaande hoofdstuk werd beschreven hoe God Israël waarschuwde Zijn machtige werken en
wetten niet te vergeten.

Uit het trieste verhaal van de oude Israëlieten blijkt dat zij niet luisterden. Uiteindelijk vergat Israël God en viel als natie uiteen door een verdeling in de afzonderlijke koninkrijken van Israël en Juda, waarna zij in ballingschap werden weggevoerd door Assyrische en Babylonische invasielegers in respectievelijk de achtste en zesde eeuw v.Chr.

Een van de meest flagrante zonden van Israël, die leidde tot hun nationale ballingschap, was het schenden van Gods sabbat. Zelfs toen het koninkrijk van Juda zichzelf te gronde richtte door het zondige gedrag van de volk, bleef God het waarschuwen door de profeet Jeremia: “Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen . . . of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk Ik aan uw vaderen geboden heb . . . Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te heiligen . . . dan zal Ik een vuur ontsteken . . . dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust” (Jeremia 17:22, 27).

De profeet Ezechiël sprak in naam van God vanuit Babylon, nadat hijzelf en velen van het koninkrijk van Juda in ballingschap waren weggevoerd. Hij schreef: “Ook gaf Ik hun Mijn sabbatten als een teken tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik, de HERE, hen heilig. Maar . . . Mijn sabbatten ontheiligden zij ten zeerste . . . omdat zij Mijn verordeningen verwierpen, niet naar Mijn inzettingen wandelden en Mijn sabbatten ontheiligden” (Ezechiël 20:12-13, 16).

God vertelde het volk van Juda ook: “Zijn priesters doen Mijn wet geweld aan en ontwijden Mijn heilige dingen; tussen heilig en onheilig maken zij geen onderscheid, het verschil tussen onrein en rein onderwijzen zij niet, en voor Mijn sabbatten sluiten zij hun ogen; zo word Ik te midden van hen ontheiligd” (Ezechiël 22:26).

Later keerden velen van de Joodse ballingen terug uit Babylon en verkregen verscheidene eeuwen voor Christus’ tijd opnieuw hun vroegere grondbezit. Door de boodschappen van Jeremia en Ezechiël wisten ze
dat hun land verwoest was vanwege het overtreden van Gods wet, waarbij het schenden van de sabbat een van hun voornaamste zonden was.

Zodra zij weer een zelfstandig volk geworden waren, besloten ze nooit meer dezelfde fout te maken. Dientengevolge werden gedurende verscheidene eeuwen door Joodse religieuze leiders zeer precieze regels gemaakt, waarin exact en in detail werd beschreven wat zij beschouwden als wel of niet toelaatbaar op de sabbat. Het ging van het ene uiterste naar het andere – van het veronachtzamen en schenden van de sabbat tot het eisen van een zwaar belastende en legalistische naleving.

Toegevoegde verordeningen
De Zondervan Pictorial Bible Dictionary beschrijft in een artikel over de sabbat hoe extreem deze maatregelen in Christus’ tijd waren geworden. De religieuze code betreffende de sabbat bevatte een lijst van “39 hoofdcategorieën van verboden handelingen: zaaien, ploegen,oogsten, in schoven binden, dorsen, wannen, zuiveren, malen, zeven, kneden, bakken . . . Elk van deze belangrijkste bepalingen werd verder behandeld en in detail uitgewerkt, zodat er in feite verscheidene honderden zaken waren die een gewetensvolle, wetgetrouwe Jood niet kon doen op de sabbat. Zo was bijvoorbeeld het verbod op het leggen van een knoop te algemeen, dus werd het noodzakelijkofficieel te verklaren welk soorten knopen verboden waren en welke niet. Dientengevolge werd bepaald dat de toegestane knopen degene waren die met één hand konden worden losgemaakt . . .

Het verbod betreffende schrijven op de sabbat werd verder als volgt gedefinieerd: “Hij die twee letters schrijft met zijn rechter of linker hand, zowel één soort als twee soorten [letters] . . . is schuldig. Zelfs hij die uit vergeetachtigheid twee letters schrijft, is schuldig . . . Ook hij die op twee muren schrijft die een hoek vormen, of op de twee schrijftabletten van zijn rekeningenboek, zodat ze samen gelezen kunnen worden, is schuldig . . .

Definitie van werk
De door de religieuze leiders gemaakte definitie van “werk” waardoor het sabbatsgebod overtreden kon worden, was totaal anders dan de gebruikelijke definities van werk. Zo was ploegen bijvoorbeeld een categorie van verboden werk, en weinig mensen zouden betwisten dat ploegen zwaar werk is. Echter, volgens de mening van de rabbijnen uit de eerste eeuw kon het verbod op ploegen overtreden worden door eenvoudig op de grond te spuwen. Door het speeksel kon er aarde verschoven worden, wat in de ogen van de rabbi’s een soort ploegen was! Vrouwen was het verboden om op de sabbat in een spiegel te kijken, omdat ze een grijze haar zouden kunnen zien en die uittrekken, en dat zou werk betekenen.

Het op de sabbat dragen van schoenen met schoenspijkers was verboden, omdat in de ogen van de leiders de toevoeging van schoenspijkers betekende dat men een onnodige last droeg. Zelfs door gras lopen was niet toegestaan, omdat er iets van het gras zou kunnen buigen en breken, wat dorsen betekende, een van de verboden categorieën van werk.

De religieuze leiders onderwezen dat als een huis op de sabbat vlam vatte, de inwoners hun kleren niet uit het huis konden dragen om deze te redden van de vlammen, omdat dat het dragen van een last zou zijn. Ze mochten echter wel zoveel lagen kleding aantrekken als men kon en zo de kleren verwijderen door ze te dragen, wat aanvaardbaar was.

In deze geladen, huichelachtig religieuze atmosfeer begon Jezus Christus Zijn onderwijs en prediking. Tegenwoordig trekken veel mensen zonder deze historische achtergrond verkeerde conclusies over de visie van Jezus op de sabbat.

De schrijvers van de evangeliën beschrijven talrijke confrontaties over de sabbat tussen Jezus en de religieuze leiders van Zijn tijd. Zijn genezingen op de sabbat en Zijn uitspraken over het houden van de sabbat brachten dikwijls beroering teweeg. Een kort overzicht van het bijbelse verslag van Zijn daden en onderwijs zal ons helpen begrijpen hoe Christus de sabbat zag.

Bij het bestuderen van deze verslagen over het leven van Christus moeten we hun chronologische volgorde in gedachten houden. Wetenschappers zijn het in het algemeen erover eens dat de evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas werden geschreven in de eerste eeuw (ca. 50-70 n.Chr.), zo’n 20 tot 40 jaar nadat de daarin beschreven gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. Als Jezus Christus de bedoeling had de sabbat te veranderen, af te schaffen of nietig te verklaren, zou die bedoeling duidelijk blijken uit de geschiedkundige verslagen van de evangelieschrijvers over Zijn leven. Zoals we echter zullen zien, is er eenvoudig geen bewijs voor deze zienswijze.

Jezus predikt op de sabbat: Lukas 4:16-30
De eerste vermelding van de sabbat in het leven van Jezus Christus is Lukas 4:16: “En Hij [Jezus] kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen.

In deze eerste vermelding van de sabbat in de evangeliën, aan het begin van Christus’ openbaar optreden, lezen we dat het Jezus’ gewoonte – Zijn normale bezigheid – was om “op de sabbatdag naar de synagoge” te gaan. Dit was niet een op zichzelf staand incident; Hij zou ook later op de sabbat blijven onderwijzen in de synagoge (Markus 6:2; Lukas 13:10).

Vervolgens, in Lukas’ verslag: “Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Daarna sloot Hij het boek . . . En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld” (Lukas 4:17-21).

Jezus citeerde uit Jesaja 61:1-2, wat door de aanwezigen in de synagoge herkend werd als een profetie over het Messiaanse tijdperk. Door te zeggen: “Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld,” stelde Jezus dat deze profetie door Hem vervuld werd; Hij maakte Zichzelf bekend als de verwachte Messias! Vervolgens ging Jezus Zijn taak vergelijken met die van de profeten Elia en Elisa. Zijn toehoorders, die Zijn bedoeling duidelijk begrepen, trachtten Jezus vanwege deze aanspraak direct te doden, maar Hij wist uit hun midden te ontkomen (Lukas 4:23-30).

Dit is de eerste vermelding van de sabbat gedurende Zijn openbaar optreden. Op die dag maakte Jezus Christus voor het eerst bekend dat Hij de geprofeteerde Messias was – waarbij Hij Zijn opdracht als Verlosser van de gehele mensheid ter sprake bracht. Dit was een belangrijke gebeurtenis. Nazareth was de plaats waar Hij was opgegroeid. De mensen van Nazareth waren de eersten die op die sabbat hoorden dat Hij de Messias was. Hij verwees naar de verwachting van Zijn toekomstige heerschappij – het evangelie, of goede nieuws, in zowel de tegenwoordige als toekomstige vervulling ervan.

Jezus geneest en werpt demonen uit op de sabbat: Lukas 4:31-39.
Onmiddellijk begon Jezus de sabbat te gebruiken om het komende Koninkrijk van God te verkondigen en om Zijn wonderbaarlijke macht als de Messias te tonen. “En Hij daalde af naar Kapernaüm, een stad in Galilea, en Hij leerde hen geregeld op de sabbat. En zij stonden versteld over Zijn leer, want Zijn woord was met gezag” (Lukas 4:31-32).

Vervolgens gaf Jezus opdracht aan een demon om een man te verlaten, en onder de aanwezigen in de synagoge “kwam verbazing over allen en zij spraken erover tot elkander en zeiden: Wat voor spreken is dit? Want Hij legt met gezag en macht aan de onreine geesten Zijn bevelen op en zij varen uit” (vers 33-36).

Jezus ging daarop naar het huis van Petrus, waar Hij Petrus’ schoonmoeder genas van een koorts. Tenslotte, tegen het einde van de sabbat, “brachten allen, die zieken hadden, lijdende aan allerlei kwalen, dezen tot Hem. Hij legde ieder van hen afzonderlijk de handen op en genas hen. Van velen voeren ook boze geesten uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was” (vers 38-41).

Als de Verlosser begreep Jezus het doel van de sabbat, dat het een zeer geschikte dag was om Zijn boodschap van genezing, hoop en verlossing te brengen aan de mensheid, en om die boodschap zichtbaar te maken
door Zijn levenswijze en daden. Zelfs de demonen erkenden dat Hij de geprofeteerde Messias was (wat de betekenis is van “Christus”, zie Johannes 1:42). Jezus gebruikte de sabbat om mensen te verwijzen naar Hemzelf als de Genezer en Verlosser van de mensheid.

Jezus tegenover de Farizeeën over handelingen van de discipelen op de sabbat: Mattheüs 12:1-8; Markus 2:23-28; Lukas 6:1-5.
Sommige passages in Mattheüs 12, Markus 2 en Lukas 6 worden verkeerd geïnterpreteerd, om te suggereren dat Jezus het sabbatsgebod overtrad. Laten we eens onderzoeken wat er werkelijk gebeurde. Uit Markus’ verslag blijkt dat “het geschiedde, dat Hij op de sabbat door de korenvelden ging en Zijn discipelen begonnen onder het gaan aren te plukken. En de Farizeeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet mag?” (Markus 2:23-24).

De Farizeeën waren aanhangers van een uitzonderlijk strenge vorm van judaïsme, met aanzienlijk religieus gezag in Christus’ tijd; zij hadden een extreme interpretatie van wat op de sabbat was toegestaan. Hun vraag zou de schijn kunnen wekken dat de discipelen hard aan het werk waren met het verzamelen van graan op de sabbat en dat zij tegenstand ondervonden van de Farizeeën vanwege het schenden van de sabbat. Het verslag van Lukas verklaart de handelingen van de discipelen: “Het geschiedde op een sabbat, dat Hij door korenvelden ging en Zijn discipelen plukten aren en aten die, ze stuk wrijvende met hun handen” (Lukas 6:1). Zij deden dit omdat ze hongerig waren (Mattheüs 12:1), niet omdat zij in het veld aan het oogsten waren.

Geen schending van het sabbatsgebod
Hun daden waren volledig aanvaardbaar volgens de wetten die God aan het volk Israël gegeven had. In feite had God speciaal rekening gehouden met het plukken van handenvol graan uit het veld van een ander (Deuteronomium 23:25). God gaf zelfs opdracht aan Zijn volk om gedeelten van hun velden ongeoogst te laten, zodat de armen en reizigers zouden kunnen eten wat was overgelaten (Leviticus 19:9-10; 23:22).

De discipelen liepen door het veld en tijdens het lopen plukten zij aren, wreven ze in hun handen om het kaf te verwijderen en aten daarna de graankorrels. De Farizeeën, die tot de meest strenge groep behoorden in hun regels betreffende de sabbat, zagen de handelingen van de discipelen als “oogsten” en “dorsen“, zaken die behoorden tot de 39 categorieën van werk wat op die dag verboden was. Hoewel door deze handelingen Gods sabbatsgebod niet overtreden werd, waren het wel overtredingen van de menselijke voorschriften van de Farizeeën. De Farizeeën zagen het gedrag van de discipelen als “niet geoorloofd op de sabbat” en bekritiseerden hen daarvoor.

Wet en barmhartigheid
Jezus wees op het feit dat aan koning David en zijn hongerige volgelingen, toen zij op de vlucht waren voor de legers van koning Saul, brood gegeven werd dat normaal gesproken alleen door priesters werd gegeten; toch waren ze niet schuldig in Gods ogen (Markus 2:25-26). Hij wees er ook op dat zelfs de priesters die dienden in de tempel van God, op de sabbat werk verrichtten door het houden van erediensten en het brengen van offeranden, maar dat God hen als onschuldig beschouwde (Mattheüs 12:5).

In beide voorbeelden werd de geest en bedoeling van de wet niet overtreden en in beide gevallen was het speciaal voor een goede reden dat God dit toestond, zei Christus. Hij benadrukte dat er in Gods wet plaats is voor barmhartigheid, en dat de Farizeeën volledig ten onrechte hun strenge, menselijke voorschriften boven al het andere hadden verheven, inclusief barmhartigheid.

Hij zei dat de Farizeeën door hun verwrongen zienswijze de zaken in feite hadden omgekeerd. “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat,” verzekerde Hij. Vanwege hun bekrompen, legalistische zienswijze van de sabbat was de zevende dag van de week een last geworden, verzwaard door honderden regels en voorschriften over wat wel en wat niet toegestaan was op die dag.

Jezus wees echter op de werkelijke, oorspronkelijke bedoeling van de sabbat: God schiep deze dag om een zegen te zijn, een tijd voor echte rust van het normale werk, in plaats van een niet te hanteren last. Het was een tijd om van te genieten, niet om als last te verdragen. Verder zei Hij dat de sabbat was geschapen voor de gehele mensheid, niet alleen voor het volk Israël.

Het in deze verzen beschreven onderricht van Jezus wordt toegelicht in The Anchor Bible Dictionary: “Soms wordt Jezus geïnterpreteerd als zou Hij het sabbatsgebod hebben afgeschaft of opgeheven; deze interpretatie is gebaseerd op de controversen die ontstonden over genezingen op de sabbat en andere handelingen. Na zorgvuldige analyse van de betreffende passages lijkt dit echter niet geloofwaardig. Het aren plukken op de sabbat door de discipelen is in dit verband bijzonder belangrijk. Jezus geeft een fundamentele verklaring . . . ‘De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat’ (Markus 2:27). Deze daad van de discipelen was een overtreding van de rabbijnse halakhah, met tot in de kleinste details uitgewerkte regels volgens welke het verboden was op de sabbat te oogsten, dorsen, wannen en malen.

. . . Jezus verandert de sabbat en geeft deze opnieuw de rechtmatige functie zoals bedoeld bij de schepping, waar de sabbat wordt ingesteld voor de gehele mensheid en niet speciaal voor Israël, zoals door het bindende judaïsme gesteld werd . . . Het was Gods wil bij de schepping dat de sabbat tot doel zou hebben de mensheid rust te geven en zegen te brengen.

In dit voorbeeld zien we dat Jezus Christus de ware bedoeling van de sabbat begreep en verklaarde: dat deze geschapen was om een dag te zijn van rust van het normale werk, een zegen en weldaad voor de gehele mensheid.

Een andere genezing op de sabbat: Mattheüs 12:9-14; Markus 3:1-6; Lukas 6:6-11
Onmiddellijk na het dispuut met de Farizeeën over het feit dat de discipelen aren plukten op de sabbat, vermelden de evangeliën dat Jezus Zich in een andere confrontatie bevond over wat volgens de wet wel en niet op de sabbat kon worden gedaan. De voorschriften van de Farizeeën gingen zelfs zo ver dat ze verboden op de sabbat een zieke hulp te geven, tenzij het leven van de persoon werd bedreigd!

Op de sabbat ontmoette Jezus in de synagoge een man met een verschrompelde hand: een zware handicap, maar niet levensbedreigend. “Kom in het midden staan,” zei Jezus tot de man (Markus 3:3). Boos en verdrietig dat hun ongevoelige, verharde verstand niet in staat was de meest fundamentele bedoeling van Gods wet te bevatten, vroeg Jezus de toeschouwers: “Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te redden of te doden?

Niet in staat of niet bereid te antwoorden, bleven zij zwijgen. In aanwezigheid van de gehele schare in de synagoge genas Jezus de hand van de man en maakte deze “weder gezond“. In plaats van zich te verheugen  over de zegen die aan de man gegeven was, gingen de Farizeeën “heen en pleegden terstond met de Herodianen overleg tegen Hem [Jezus] ten einde Hem om te brengen” (vers 4-6).

In plaats van een essentiële geestelijke les te leren over de bedoeling en betekenis van de sabbat en van de dienende taak van Jezus Christus, waren de Farizeeën woedend dat Jezus hun strikte richtlijnen negeerde. In plaats van deze boodschap van barmhartigheid en mededogen te verstaan, smeedden zij een complot om de Boodschapper te doden.

Het was allesbehalve Jezus’ bedoeling de sabbat te schaffen; Hij toonde juist dat de sabbat een geschikte tijd is om hulp en troost te geven aan de behoeftigen. Het sabbatsgebod gaf de mensen geen instructie over wat zij op die dag moesten doen, maar alleen wat zij niet moesten doen. Jezus maakte duidelijk wat voor God aanvaardbaar was: “Derhalve is het geoorloofd [binnen Gods wet] op de sabbat wèl te doen” (Mattheüs 12:12).

Het legalisme van de Farizeeën was veel verder gegaan dan het door God gegeven gebod om niet te werken, en had talloze regels gecreëerd waardoor zelfs de meest fundamentele vorm van menselijke activiteit
werd beperkt – iets dat nooit Gods bedoeling was geweest. Toch konden zelfs de voorschriften van de Farizeeën wijken voor noodgevallen, zoals het op de sabbat uit een put halen van een schaap (vers 11). Jezus maakte bekend dat de sabbat een dag was waarop het zowel mogelijk als wenselijk was om goed te doen.

Sommige tegenstanders van het houden van de sabbat beschouwen Christus’ verklaring dat “het geoorloofd [is] op de sabbat wèl te doen” als het afschaffen van aparte dagen voor rust of voor andere religieuze
doeleinden. Als men echter wil concluderen dat Jezus de unieke aard van de sabbat ophief door te leren dat het toegestaan is om goed te doen op die dag, moet men aannemen dat het oorspronkelijk niet toegestaan was om goed te doen op die dag. Dat is duidelijk niet het geval. Zoals Hij dikwijls als berisping kenbaar maakte aan degenen die Hem bekritiseerden, was het duidelijk toegestaan om op de sabbat goed te doen (Mattheüs 12:12; Markus 3:4; Lukas 6:9). De sabbat is een door God gegeven dag voor rust en religieuze viering, maar dat is geen beletsel om goed te doen.

De genezingen van Jezus op de sabbat wezen ook als schaduw vooruit naar iets veel groters: de nog komende wonderbaarlijke genezingen in het Messiaanse tijdperk. Jesaja profeteerde over deze tijd: “Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen” (Jesaja 35:5-6).

De daden van onze Verlosser op de sabbat zijn een herinnering aan die toekomstige tijd van vrede, herstel en genezing voor de gehele mensheid.

Jezus geneest een invalide vrouw op de sabbat: Lukas 13:10-17
Lukas vermeldt nog een voorval waarbij Jezus op de sabbat in de synagoge een chronische zieke genas, in dit geval “een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten” (Lukas 13:11). Hij riep haar tot Zich, legde haar de handen op en “terstond richtte zij zich op en zij verheerlijkte God” (vers 12-13).

De schare besefte dat Jezus zojuist de bekrompen, beperkende verbodsbepaling had overtreden inzake het geven van hulp aan een zieke in een niet-levensbedreigende situatie; zij wachtten af om te zien wat er vervolgens zou gebeuren. De mensen behoefden niet lang te wachten: “de overste der synagoge, het kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zeide tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dàn om u te laten genezen en niet op de sabbatdag” (vers 14).

Jezus Christus moest niets hebben van deze houding. “Huichelaars,” antwoordde Hij, “maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?” Zijn antwoord maakte grote indruk op de schare. “En toen Hij dit zeide, schaamden zich al Zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden” (vers 15-17).

Jezus benadrukte hier dat de sabbat een tijd van bevrijding voorstelt, van het losmaken uit gebondenheid, en dat het ons zo helpt Gods bedoeling voor het houden van de sabbat beter te begrijpen. Zelfs de strenge voorschriften van de Farizeeën hielden rekening met het eten en drinken geven van dieren op de sabbat. Als het zorgen voor de elementaire levensbehoeften van dieren geen overtreding is van het Vierde Gebod, hoeveel te meer is dan het “losmaken” door genezing passend voor de sabbat.

Jezus’ voorbeeld herinnert ons eraan dat de sabbat een passende tijd is om de zieken en ouderen te bezoeken en hen te helpen de dag als een tijd van vrijheid te vieren. Zoals Hij reeds eerder bekendmaakte, kwam Hij om “aan gevangenen loslating te verkondigen en . . . verbrokenen heen te zenden in vrijheid” (Lukas 4:18), verwijzend naar de glorieuze bevrijding uit geestelijke slavernij, die een kenmerk zal zijn van Zijn toekomstige heerschappij als Messias.

Jezus geneest een man op de sabbat: Lukas 14:1-6
De sabbat wordt opnieuw vermeld in Lukas 14. Dit voorval vond niet in de synagoge plaats, maar ten huize van een vooraanstaande Farizeeër, waar Jezus op de sabbat naar toe was gegaan om samen een maaltijd te
gebruiken.

Een man met een chronisch gezondheidsprobleem verscheen voor Hem. “Is het geoorloofd op de sabbat te genezen of niet?” vroeg Jezus nadrukkelijk aan de schriftgeleerden en Farizeeën. Niemand antwoordde. Jezus genas de man, die onmiddellijk wegging uit de onbehaaglijke sfeer van het gezelschap (vers 2-4).

Als een zoon of een os van iemand van u in een put valt, wie zal hem er dan niet terstond uittrekken (ook) op de sabbatdag?” vroeg Jezus.

Zij konden Hem geen antwoord geven (vers 5-6). Dergelijke vragen waren jarenlang door de Joodse religieuze leraren bediscussieerd, en zelfs zij erkenden dat het gebod om te rusten niet inhield dat men noodsituaties, waarin levens op het spel stonden, moest negeren.

Jezus’ benadering was dat men, steeds als zich een gelegenheid voordeed om het lijden te verlichten, die gelegenheid moest aangrijpen. Gods sabbatsgebod was nooit bedoeld geweest om te verhinderen goed te doen op die dag. Jezus was zeer goed bekend met de essentie van Gods wet: “Gij zult . . . uw naaste liefhebben als uzelf” (Leviticus 19:18).Zowel Jakobus als Paulus begrepen dat liefde de bedoeling en vervulling was van Gods wet (Jakobus 2:8; Galaten 5:14).

Jezus’ voorbeeld toonde dat men iedere dag moet leven naar de geestelijke bedoeling van Gods wet, die liefde is.

Jezus geneest een invalide op de sabbat: Johannes 5:1-18
Johannes 5 beschrijft een genezing op de sabbat die niet in de andere evangeliën wordt vermeld, en waardoor een andere dimensie wordt toegevoegd aan de activiteiten van Christus op de sabbat. In dit geval genas Jezus een man die reeds 38 jaar lang invalide was. “Sta op, neem uw matras op en wandel,” zei Jezus tot de man (vers 8).

De man werd terstond genezen, tilde de matras op waarop hij had gelegen en liep weg, maar ondervond tegenstand van andere Joden wegens het dragen van zijn matras. “Het is sabbat en dan moogt gij uw matras niet dragen,” waarschuwden zij hem (vers 10). “Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: Neem uw matras op en ga uws weegs,” antwoordde hij.

Nadat ze hadden vastgesteld dat het Jezus was die de genezing had verricht en de man had gezegd zijn matras met zich mee te dragen, “wilden de Joden Jezus vervolgen, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed” (vers 16). Hun denkwijze over de sabbat was zo verwrongen dat zij meer gericht waren op hun eigen bekrompen regels over wat niet op de sabbat gedragen kon worden, dan op de wonderbaarlijke genezing van een man die al 38 jaar een aandoening had!

Jezus’ antwoord op hun beschuldiging, als zou Hij het sabbatsgebod overtreden hebben, bracht Zijn aanklagers nog meer tot woede. “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook,” zei Hij. “Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God Zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde” (vers 17-18).

Wat Hij overtrad was niet Gods sabbatsgebod, maar de beperkende voorschriften van de Farizeeën betreffende wat zij dachten dat op de sabbat geoorloofd was. Jezus Christus kon het sabbatsgebod niet hebben overtreden, omdat Hij eerder reeds een vloek had uitgesproken over een ieder die “één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert” (Mattheüs 5:19).

Maar wat bedoelde Christus toen Hij zei: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook“? De Life Application Bible geeft op dit vers het volgende commentaar: “Als God zou ophouden met iedere vorm van werk op de sabbat, zou de natuur vervallen tot chaos, en zou de wereld door zonde overwoekerd worden. Genesis 2:2 zegt dat God rustte op de zevende dag, maar dit kan niet betekenen dat Hij ophield met goed te doen. Jezus wilde uitleggen dat, als zich een gelegenheid voordoet om goed te doen, deze niet genegeerd moet worden, zelfs niet op de sabbat.

God maakte de sabbat als een rustdag voor de mensheid, niet voor Zichzelf. Hij rustte op de zevende dag van Zijn wereldscheppende werk om ons te laten zien dat wij ook moeten rusten van ons normale werk. Maar God blijft onophoudelijk doorgaan met bepaalde vormen van werk. Dag en nacht, zeven dagen per week, werkt Hij om de mensheid tot Zijn Koninkrijk te brengen. Hij werkt om mensen op de sabbat geestelijk te helpen groeien. Hij werkt constant om met Zijn mensen een hechte, persoonlijke relatie op te bouwen. Volgens de evangeliën genas Jezus meer mensen op de sabbat dan op enige andere dag. Hij onderwees en predikte op de sabbat.

Zondigde Hij? Neen. Wat Hij deed was onderdeel van Gods werk om mensen te helpen het Koninkrijk van God te leren begrijpen en uiteindelijk binnen te gaan; het was daarom volkomen aanvaardbaar voor
God.

Besnijdenis en de sabbat: Johannes 7:21-24
In Johannes 7:24 gaf Jezus een samenvatting van wat duidelijk had behoren te zijn voor degenen die kritiek op Hem hadden wegens het genezen op de sabbat: “Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel.” De bekrompen, onverdraagzame zienswijze van de Farizeeën was meer gericht op uiterlijk vertoon dan op enig ander aspect. Jezus berispte hen voor het feit dat zij fysieke zaken benadrukten, terwijl zij belangrijkere zaken, zoals rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw, verwaarloosden (Mattheüs 23:23).

Om te laten zien welke extreme gevolgen de zienswijzen van de Farizeeën hadden, gebruikte Jezus het voorbeeld van de besnijdenis. Hij wees erop dat het op de sabbat uitvoeren van de besnijdenis, een teken van het verbond tussen God en het volk Israël, het sabbatsgebod niet overtrad. Als deze ingreep in één van de 248 delen van het lichaam (volgens Joodse berekening) op de sabbat kon worden verricht, zo stelde Hij, “zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbat een gehele mens gezond gemaakt heb?” (Johannes 7:22-23).

Uit deze inconsistentie, het toestaan van het besnijdenisritueel en het verbieden barmhartigheid te bewijzen aan degenen die genezing nodig hadden, bleek ongevoeligheid en gebrek aan respect voor de bedoeling van Gods wet. “Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel,” waarschuwde Hij degenen die Hem belasterden (vers 24).

Volgens Jezus gaven de toegevoegde regels en voorschriften van de Joden geen bevestiging van Gods wet, maar leidde hun verstoorde zienswijze van Gods geboden ertoe dat zij in feite de wet overtraden (Mattheüs 23:3, 28; Markus 7:6-9). “En niemand van u doet de wet,” vertelde Hij hun (Johannes 7:19), hen terechtwijzend voor hun verwrongen interpretatie van Gods wet. Zij hielden de wet niet op de juiste wijze, en Jezus bracht herstel van het juiste begrip en de toepassing ervan.

Jezus geneest een blinde man op de sabbat: Johannes 9:1-34
Jezus gebruikte het voorval van de genezing van een blinde man op de sabbat om bekend te maken dat Hij de Messias was. Sprekend tot Zijn discipelen zei Hij: “Ik moet werken de werken van Hem, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is . . . Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld” (Johannes 9:4-5, Statenvertaling). Vervolgens genas Hij de man van zijn blindheid.

De Farizeeën zagen de zojuist genezen man en gingen hem vervolgens ondervragen en intimideren. “Deze mens [Jezus] komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet,” zeiden zij (vers 16). De man had echter een weerwoord: “Hierin is toch iets wonderlijks . . . mijn ogen heeft Hij geopend . . . Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen” (vers 30, 33).

Boos geworden omdat hun gezag in twijfel getrokken werd en hun argumenten betwist werden, “wierpen [zij] hem uit,” de man uit de synagoge verbannend (vers 34). Hij werd veroordeeld als een ketter en
afgesneden van familie en vrienden.

Jezus zocht de man op en vroeg hem: “Gelooft gij in de Zoon van God?” (Statenvertaling).

En wie is Hij, Here, dat ik in Hem moge geloven?” was de reactie van de man.

Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met u spreekt, die is het,” antwoordde Christus. Toen geloofde de man dat Christus de Zoon van God was. Daarop zei Christus: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden” (vers 35-39).

Jezus Christus maakte opnieuw duidelijk dat Hij de Messias was, de Zoon van God. Bij deze gelegenheid gaf Hij opnieuw uitleg, zoals Hij zo vele malen op de sabbat deed, over Zijn verlossende werk voor de
mensheid.

Veranderde Jezus de wet?
Deze verslagen geven een samenvatting van de speciaal op de sabbat verrichte daden van Christus die in de vier evangeliën beschreven staan. Zoals eerder vermeld zien sommigen in deze verzen alleen wat
zij willen zien – zogenaamd bewijs dat Jezus Christus het Vierde Gebod overtrad. Maar in feite bewijst de Bijbel dat Jezus niets dergelijks heeft gedaan. Hij negeerde wel de misplaatste, beperkende voorschriften van de religieuze leiders betreffende de sabbat, maar Hij overtrad nooit Gods geboden. Als Hij dat gedaan had, zou Hij gezondigd hebben (I Johannes 3:4), maar Jezus zondigde nooit. Hij leefde een zondeloos leven opdat Hij ons volmaakte offer zou kunnen zijn, de Verlosser van de gehele mensheid (I Petrus 2:22; Efeziërs 5:2; I Johannes 4:14).

Het zou voor Jezus ondenkbaar geweest zijn ongehoorzaam te zijn aan Gods geboden. Hij zei van Zichzelf: “de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat
doet ook de Zoon evenzo” (Johannes 5:19).

Wat deed Jezus? Volgens Zijn eigen woorden deed Hij precies wat de Vader deed. Toch denken sommigen ten onrechte dat Hij kwam om Gods heilige wet omver te werpen en af te schaffen als leidinggevende norm voor het menselijk gedrag.

Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft“, zei Hij (Johannes 5:30). De motivatie van Jezus Christus was te doen wat de Vader welgevallig was. Wat God wilde was het belangrijkste voor Hem.

Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen,” vertelde Hij de discipelen (Johannes 4:34). Dat was Zijn motivatie, de reden waarvoor Hij leefde – om de wil van God de Vader te doen. Door Zijn onderwijs op de sabbatten openbaarde Christus Gods wil en bleef Hij vastbesloten Gods werk te volbrengen, ondanks de tegenstand en vervolging die uiteindelijk Zijn wrede marteling en dood teweeg brachten.

Een duidelijke verklaring van Jezus Christus
Jezus Zelf ontkende ten stelligste dat het Zijn bedoeling was om de sabbat of enig deel van Gods wet te veranderen of af te schaffen. “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden,” zei Hij. “Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen” (Mattheüs 5:17).

Het Griekse woord pleroo, vertaald met “vervullen“, betekent “vol maken“. Met andere woorden, Jezus zei dat Hij kwam om de wet volledig en volmaakt te maken. Hoe? Door de geestelijke bedoeling en toepassing van Gods wet te laten zien. Wat Hij bedoelt wordt duidelijk uit de rest van het hoofdstuk, waar Hij uitleg geeft over de geestelijke bedoeling van bepaalde geboden.

Sommigen verdraaien de betekenis van “vervullen” en laten Jezus dan zeggen: “Ik ben niet gekomen om de wet te ontbinden, maar om deze te beëindigen door de vervulling ervan.” Dit is volledig tegenstrijdig met Zijn eigen woorden. In het gehele verdere hoofdstuk legde Hij uit dat de geestelijke toepassing van de wet het nog moeilijker maakte deze te houden, niet dat de wet was afgeschaft of niet langer noodzakelijk.

Jezus maakte duidelijk dat Hij geen enkel deel van Gods wet ongeldig verklaarde: “Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied” (vers 18). Hier wordt een ander Grieks woord gebruikt voor “vervuld“: ginomai, wat betekent “tot stand komen“. Pas wanneer al het noodzakelijke tot stand zou zijn gekomen, zou er iets van Gods wet kunnen ophouden te bestaan, zei Christus.

Om een mogelijk misverstand te voorkomen waarschuwde Hij degenen die zouden trachten Gods wet af te schaffen: “Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen” (vers 19).

Volg Jezus’ voorbeeld
Toen Hem gevraagd werd: “Welk gebod is het eerste van alle?” antwoordde Jezus Christus: “Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht” (Markus 12:28-30).

Hier bevestigde Christus het grootste gebod van het Oude Testament (Deuteronomium 6:4-5). Zij die de bijbelse sabbat houden, streven ernaar dat gebod te gehoorzamen door God op de eerste plaats te stellen in hun leven en door Zijn gebod tot het houden van de sabbat in acht te nemen. Zij zullen ook Jezus’ instructie opvolgen: “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft” (Johannes 14:21).

Jezus Christus is onze Heer en Meester (Filippenzen 2:9-11). Hij heeft ook bekendgemaakt dat Hij de “heer over de sabbat” is (Lukas 6:5), dus wij moeten Zijn voorbeeld volgen in het houden van de sabbat – en alle geboden van God – op de wijze waarop Hij het onderwees en ernaar leefde.

Werd de sabbat veranderd in het Nieuwe Testament?
“Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12).

We hebben gezien dat Jezus Christus Gods sabbatdag niet veranderde. In tegendeel, tijdens Zijn werk op aarde toonde Hij de ware betekenis en bedoeling van de sabbat. Jezus toonde dikwijls, vooral door Zijn onderwijs en daden op deze dag, dat de sabbat een voorafschaduwing was van het toekomstige Messiaanse tijdperk als een tijd van genezing, vrijheid en herstel voor de gehele mensheid.

Jezus hield de sabbat. Ten tijde van Zijn overlijden namen Zijn naaste volgelingen duidelijk de sabbat in acht, door te wachten tot deze voorbij was voordat zij Zijn lichaam voor begrafenis gereed maakten (Mattheüs 28:1; Markus 16:1-2; Lukas 23:56; 24:1). Vijftig dagen na Christus’ opstanding kwamen velen bijeen voor de Pinksterdag, een van de zeven jaarlijkse sabbatten of feesten (Leviticus 23:1-44) die naast de wekelijkse
sabbat gevierd werden. Het was op die dag dat de nieuwtestamentische Kerk werd gesticht, door de komst van de Heilige Geest (Handelingen 2:1-4). We zien geen bewijs van enige verandering bij Christus’ dood en opstanding; wat we zien is dat Zijn volgelingen de sabbatten bleven houden zoals Christus ze had gehouden.

Als de sabbat, of enig ander deel van Gods wet, in de nieuwtestamentische Kerk werd afgeschaft of veranderd, zou er duidelijk bewijs moeten zijn van zo’n verandering in de nieuwtestamentische geschriften.
Tenslotte werden de boeken van het Nieuwe Testament geschreven in de eerste eeuw, gedurende een periode van tientallen jaren die eindigde in de jaren 90-100 n.Chr., meer dan 60 jaar na Jezus’ dood en opstanding.

Schafte Paulus de sabbat af?
Velen die stellen dat de sabbat in het Nieuwe Testament werd afgeschaft, verwijzen naar de geschriften van Paulus om hun oordeel te rechtvaardigen. Maar is dit juist? Drie passages worden gewoonlijk als bewijs aangevoerd om die stelling te ondersteunen: Romeinen 14:5-6; Kolossenzen 2:16-17; en Galaten 4:9-10.

Een basisprincipe voor begrip van de Bijbel is het bezien van ieder vers in de context, zowel in de directe context van wat wordt behandeld, als ook in de grotere sociale en historische context waardoor de schrijver en de lezers in die tijd werden beïnvloed. Laten wij elk van deze verzen in de context onderzoeken en zien of Paulus inderdaad het houden van de sabbat heeft herroepen of afgeschaft.

Laten we eerst eens Paulus’ eigen verklaringen over Gods wet bezien. Meer dan 25 jaar na de dood van Jezus Christus schreef hij in Romeinen 7:12: “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” In Romeinen 2:13 stelde hij: “want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.” In Romeinen 7:22 zei hij: “want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods . . .

Velen nemen aan dat wij, als we eenmaal geloven in Jezus Christus, de wet niet meer behoeven te houden. Paulus zelf stelde dit aan de orde in Romeinen 3:31: “Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen [het Griekse histemi, wat ‘doen staan’ of ‘oprichten’ betekent] wij de wet.” Het geloof schaft de wet niet af, zei Paulus; het bevestigt en ondersteunt de wet.

In Handelingen 24 verdedigde hij zichzelf voor de Romeinse stadhouder Felix tegen beschuldigingen van het zaaien van tweedracht en ordeverstoring, die door Joodse religieuze leiders naar voren waren gebracht.
In antwoord op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen zei hij: “dit erken ik voor u, dat ik . . . de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat” (vers 14).

Twee jaar later verdedigde hij zichzelf opnieuw tegen zulke beschuldigingen, ditmaal voor een andere Romeinse stadhouder, Festus. “Ik heb noch tegen de wet der Joden noch tegen de tempel, noch tegen de
keizer iets misdreven,” antwoordde hij op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen (Handelingen 25:8).

Bij deze gelegenheid, zo’n 25 tot 30 jaar na de dood en opstanding van Jezus Christus, zei Paulus dat hij geloofde “al hetgeen in de wet en de profeten geschreven staat” (termen gebruikt voor het Oude Testament) en niets had gedaan in strijd met de wet!

In het licht van deze duidelijke verklaringen zouden we verwachten even duidelijke instructies te vinden over afschaffing van de sabbat, als dat Paulus’ inzicht en bedoeling was. Maar vinden we die ook?

Zijn alle dagen voor eredienst gelijk? Romeinen 14:5-6
In Romeinen 14:5-6 schreef Paulus: “Deze [immers] stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God.

Uit deze verklaring zouden sommigen kunnen opmaken dat Paulus zegt dat het niet belangrijk is welke dag men kiest voor rust en eredienst, zolang als men maar “voor zijn eigen besef ten volle overtuigd” is en het doet “om de Here“. Betekent dit dat de sabbat niet verschilt van enige andere dag of dat we vrij zijn te kiezen op welke dag wij God willen aanbidden?

Om tot die conclusie te komen moet men een eigen interpretatie aan het vers geven, omdat de sabbat nergens genoemd wordt. In feite is het woord sabbat, of enige verwijzing naar het houden van de sabbat, nergens in deze brief te vinden. Er wordt hier eenvoudig verwezen naar “dagen“, niet de sabbat of enige andere door God geboden dagen voor rust en eredienst.

We moeten in gedachten houden dat Paulus eerder in deze zelfde brief had gezegd: “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12); “de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden” (Romeinen 2:13), en “naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods” (Romeinen 7:22). Als hij hier zou zeggen dat het houden van de sabbat onbelangrijk is, zou zo’n verklaring volledig inconsistent zijn ten opzichte van zijn andere verklaringen in deze zelfde brief.

Over welke dagen sprak Paulus?
Welke dagen vermeldt Paulus hier? We moeten de context bezien om dat te ontdekken.

Paulus schreef aan een gemengde gemeente van Joodse en niet-Joodse gelovigen in Rome. In vers 2 en 3 besprak Paulus vegetarisme (“de zwakke eet plantaardig voedsel“) en hij ging op dit thema door in vers 6 (“wie eet . . . en wie niet eet“).

De betreffende passage over dagen staat in vers 5 en 6, direct tussen verwijzingen naar het eten van vlees en vegetarisme in vers 2, 3 en 6. Er is geen bijbels verband tussen het houden van de sabbat en vegetarisme, dus deze verzen moeten uit de context gehaald worden om te veronderstellen dat Paulus naar de sabbat verwees.

Het feit dat door de context nauw verband gelegd wordt met eten, suggereert dat Paulus een speciale dag in gedachten had die als feestdag of vastendag gehouden werd” (Everett F. Harrison, The Expositor’s Bible Commentary, Deel X, p. 146). Het is duidelijk dat Paulus sprak over Romeinse of andere speciale dagen waarop het houden van feesten, vasten of niet eten van bepaald voedsel gebruikelijk was.

Uit de context blijkt dat sommige leden van de gemeente daar vlees aten, en anderen zich onthielden van het eten van vlees. De vegetariërs waren waarschijnlijk gemeenteleden die, “uit vrees dat zij (zonder het te weten) vlees zouden eten dat aan afgoden was geofferd of dat anderszins ceremonieel onrein was (wat gemakkelijk kon gebeuren in een stad als Rome), zich in het geheel onthielden van het eten van vlees” (W. J. Conybeare en J.S. Howson, The Life and Epistles of St. Paul, p. 530).

In I Korinthiërs 8 behandelde Paulus de kwestie van het eten van vlees dat mogelijk aan afgoden geofferd was en daarom door sommige leden kon zijn beschouwd als ongeschikt om te eten. Wat Paulus stelde in
dit hoofdstuk was dat enige associatie van voedsel met afgodendienst geen betekenis had voor het feit of dat voedsel verder geschikt was om te eten.

Het lijkt waarschijnlijk dat Paulus dezelfde kwestie in beide groepen behandelde, namelijk of gemeenteleden vlees moesten vermijden dat misschien gebruikt was voor afgodenverering. In plaats van het Griekse woord te noemen dat gebruikt wordt voor onreine, of verboden, soorten voedsel die in het Oude Testament opgesomd worden, gebruikte hij een woord dat gewoon of verontreinigd betekent, wat passend zou zijn voor het beschrijven van vlees dat aan afgoden geofferd was. Voor de leden in Rome hield de reden voor het vermijden van vlees duidelijk direct verband met de dagen die zij hielden.

Dit hield op geen enkele wijze verband met het houden van de sabbat, omdat Gods sabbat een “feest”dag is (Leviticus 23:1-3), niet een dag waarop men zich moet onthouden van het eten van vlees. De sabbat
wordt nergens genoemd in Paulus’ brief aan de Romeinen; dat was eenvoudig niet het probleem. De dagen die hier worden vermeld staan duidelijk in verband met het vermijden van vlees, wat erop wijst dat het Romeinse of andere vieringen zijn en niet de door God geboden dagen.

Is de sabbat slavernij? Galaten 4:9-10
Galaten 4:9-10 is een andere passage uit de brieven van Paulus die door sommigen gezien wordt als een veroordeling van het houden van de sabbat. In deze verzen schreef Paulus: “Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar.

Degenen die argumenten willen aanvoeren tegen het houden van de sabbat, zien Paulus’ vermelding van “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” als een verwijzing naar de in het Oude Testament genoemde sabbat, de feesten en het sabbat- en jubeljaar (Leviticus 23, 25). Zij zien deze door God gegeven vieringen als “zwakke en arme eerste beginselen” (Statenvertaling), waarnaar de Galaten “terugkeerden” en waaraan zij “dienstbaar” werden (vers 9).

Is dit de bedoeling van Paulus? Als men deze verzen als kritiek op de sabbat ziet, heeft men duidelijk een probleem. Evenals in Romeinen 14 wordt de sabbat hier zelfs niet genoemd. De term “sabbat”, “sabbatten” en andere daarmee verband houdende woorden zijn nergens in deze brief te vinden.

Als argument tegen het houden van de sabbat nemen sommigen aan dat de “jaren” waarnaar in Galaten 4:10 verwezen wordt de in Leviticus 25 beschreven sabbat- en jubeljaren zijn. Volgens de Encyclopedia Judaica en de Jewish Encyclopedia werd het jubeljaar in Paulus’ tijd echter nergens gevierd, en het sabbatjaar niet in gebieden buiten Palestina. Het feit dat Galatië in Klein-Azië gelegen was, ver buiten Palestina, maakt het onlogisch te concluderen dat Paulus hier kon hebben verwezen naar het sabbat- en jubeljaar.

De Griekse woorden die Paulus gebruikte voor “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” worden overal in het Nieuwe Testament gebruikt om normale, burgerlijke tijdsperioden te beschrijven. Deze woorden zijn totaal anders dan de precieze termen die Paulus gebruikte in Kolossenzen 2:16, om de in de Bijbel vermelde vieringen van de sabbatten, feesten en nieuwe maan te omschrijven. Hij gebruikte in Kolossenzen de  exacte terminologie voor bijbelse vieringen, maar in Galaten gebruikte hij geheel andere Griekse woorden – een duidelijke aanwijzing dat hij sprak over geheel andere onderwerpen.

Om te begrijpen wat Paulus bedoelde moeten we zowel de historische als directe context van deze verzen onderzoeken. De gemeenten in Galatië bestonden hoofdzakelijk uit leden van heidense, dus niet-Joodse afkomst. Paulus maakte duidelijk dat zij fysiek onbesneden waren (Galaten 5:2; 6:12-13), dus zij kunnen niet Joods geweest zijn.

Konden niet terugkeren naar wat zij niet hadden gevierd
Deze achtergrond is belangrijk voor het begrijpen van dit controversiële schriftgedeelte. In Galaten 4:9-10 zei Paulus dat de Galaten “terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten,” waaronder “dagen, maanden, vaste tijden en jaren.” Aangezien degenen die dit lazen van heidense afkomst waren, kunnen deze “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” waarnaar zij terugkeerden moeilijk verklaard worden als de sabbat en andere bijbelse feesten, omdat ze niet konden terugkeren naar iets dat zij vroeger niet hadden gevierd.

Dit wordt nog duidelijker gemaakt door de directe context. In vers 8 zei Paulus: “in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn.” Hiermee verwees Paulus “duidelijk naar de afgoden van het heidendom, die Paulus volgens typisch Joods taalgebruik ‘niet-goden’ noemde” (James Montgomery Boice, The Expositor’s Bible Commentary, Deel X, p. 475).

Niet verwijzend naar bijbelse gebruiken
Is het wel mogelijk dat deze “zwakke en armelijke wereldgeesten“, waarnaar zij terugkeerden (vers 9), Gods wetten, sabbatten en feesten waren? Het woord dat hier als “wereldgeesten” is vertaald, is het Griekse stoicheia, hetzelfde woord dat reeds in vers 3 is vertaald als “wereldgeesten“. Daar beschreef Paulus zijn lezers als mensen die “onderworpen aan wereldgeesten” waren geweest. Als het in vers 9 naar Gods wet zou verwijzen, zou het ook in vers 3 daarnaar moeten verwijzen, aangezien hetzelfde woord wordt gebruikt.

Te stellen dat vers 3 naar bijbelse wetgeving verwijst is niet te verdedigen, omdat, zoals het bovengenoemde commentaar (p. 472) uitvoerig beschrijft, “er in dit geval nog twee problemen zijn: (1) Het schijnt geen betrekking te hebben op de heidenen, want het probleem van de heidenen is niet dat zij in het verleden onder de wet waren . . . en (2) het verklaart niet waarom of hoe Paulus de term ‘der wereld’ (Statenvertaling) kon toevoegen aan het woord stoicheia . . .

Het lijkt erop dat deze primitieve zienswijze zich zover had uitgebreid dat de stoicheia ook verwees naar de zon, maan, sterren en planeten – alle in verband met goden of godinnen en, omdat ze de kalender bepaalden, ook in verband met de grote heidense feesten ter ere van de goden. In Paulus’ zienswijze waren deze goden demonen. Vandaar dat hij zou denken aan een dienstbaarheid aan demonen, waarin de Galaten inderdaad gevangen waren geweest voordat hun het evangelie was bekendgemaakt.

. . . In de volgende verzen spreekt Paulus verder in het kort over drie belangrijke onderwerpen: (1) ‘goden . . . die het in wezen niet zijn’, vermoedelijk valse goden of demonen; (2) ‘zwakke en armelijke wereldgeesten’, opnieuw stoicheia; en (3) ‘dagen, maanden, vaste tijden en jaren’ (vers 8-10). Ongetwijfeld dacht Paulus aan deze demonen op totaal andere wijze dan de Galaten in hun vroegere denkwijze . . . Zo wordt deze gehele kwestie van kosmische en geestelijke betekenis. Het uiterste tegengestelde van vrijheid in Christus is slavernij aan Satan en de boze geesten.

Bijgelovige viering van dagen en tijden
Dit is de context waarin de Galaten speciale “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” in acht namen. Het woord dat hier als “waarnemen” is vertaald, is het Griekse paratereo, dat “bewaken” of “letten op” betekent.

Dit woord “schijnt de betekenis te hebben van ‘het angstvallig nauwgezet, goed ingelicht in acht nemen uit eigenbelang’, wat . . . past bij het belang hechten aan tijdspunten of perioden die vanuit het standpunt van de kalender of van astrologie als positief of negatief worden beoordeeld” (Gerhard Kittel, Theological Dictionary of the New Testament, Deel III, p. 148).

Welke “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” de Galaten ook waarnamen, zij deden dit blijkbaar op een bijgelovige wijze, zoals zij zich vóór hun bekering aan dagen en tijden hadden gehouden.

Vanuit de context zien we dat het onlogisch is te concluderen dat Paulus kritiek had op het houden van de bijbelse sabbat en feesten, aangezien deze zelfs niet werden genoemd. In plaats daarvan gaf hij scherpe kritiek op misplaatste pogingen om behoud te verkrijgen door onnodige, bijgelovige vieringen.

Is de sabbat achterhaald? Kolossenzen 2:16-17
Een derde passage uit de geschriften van Paulus, Kolossenzen 2:16-17, wordt eveneens gebruikt om de bewering te staven dat het houden van de sabbat niet langer noodzakelijk is. Paulus schreef: “Dat u dan
niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus” (Statenvertaling).

Laten we opnieuw de context en het historische verband van deze verzen onderzoeken, om te zien of ze deze zienswijze ondersteunen.

Bedoelde Paulus te zeggen dat het houden van de sabbat is afgeschaft? Als dat zo is, worden we bij deze interpretatie direct met enige problemen geconfronteerd. Als men dit standpunt aanneemt, is het moeilijk
te verklaren hoe Paulus zo’n verwarde indruk kon achterlaten door niet duidelijk te stellen dat deze gebruiken onnodig waren, als deze verzen erop wijzen dat de Kolossenzen ze juist in acht namen. Tenslotte was de gemeente van Kolosse hoofdzakelijk van heidense afkomst (Kolossenzen 1:27; 2:13), dus Paulus kon deze brief gebruikt hebben om duidelijk te maken dat deze gebruiken voor heidenen of andere christenen niet bindend waren.

Paulus zei dat echter nergens. Wat betreft de vieringen van de feesten, de nieuwe maan en de sabbatten zei hij alleen “dat u dan niemand oordele,” wat iets heel anders is dan zeggen dat deze gebruiken onnodig of achterhaald zijn.

Geen discussie over bijbelse gebruiken
We moeten ons in de eerste plaats afvragen of de oudtestamentische gebruiken eigenlijk wel centraal stonden in het probleem dat Paulus aan de orde stelde. Sprak Paulus eigenlijk wel over de vraag of christenen de wetten moesten houden inzake rein en onrein voedsel, de bijbelse feesten, de wekelijkse sabbat of andere oudtestamentische wetten?

Veel mensen denken dat het “bewijsstuk” (vers 14) verwijst naar Gods wet en de vereisten die Hij kenbaar maakte in het Oude Testament. Maar dat is niet wat Paulus bedoelde. Het Griekse woord dat vertaald is met “bewijsstuk“, is cheirographon, en dit is de enige plaats in de Bijbel waar deze term wordt gebruikt. Het betekent een met de hand geschreven verslag van schuld, of wat wij tegenwoordig een schuldbekentenis zouden noemen. In de apocalyptische literatuur van die tijd werd dit woord gebruikt om een “aantekeningenboek van zonden” aan te duiden, ofwel een geschreven verslag van onze zonden.

Paulus zei niet dat Gods wet aan het kruis genageld was. Wat aan het kruis genageld was, zei Paulus, was elk bewijsstuk van onze zonden. Omdat Gods wet voor zonde de doodstraf eiste (Romeinen 6:23), is dit bewijsstuk hetgeen wat “tegen ons getuigde en ons bedreigde” (Kolossenzen 2:14), niet de wet zelf. Het is het bewijs tegen ons, niet de wet zelf, wat aan het kruis genageld werd om het voor ons mogelijk te maken vergeving te ontvangen.

Dit wordt duidelijk als we de rest van dit hoofdstuk lezen. Blijkbaar ging het over andere kwesties, die niets te maken hadden met de door God in het Oude Testament gegeven wetten. Het betrof “overheden en machten” (vers 15), “gewilde nederigheid en engelenverering” (vers 18), het verbieden aan te raken, te proeven en te gebruiken (vers 21) en “kastijding van het lichaam” (vers 23).

Verder verwees Paulus naar de valse leerstellingen in Kolosse, die gebaseerd waren op “drogredenen” (vers 4), “wijsbegeerte en ijdel bedrog” en “overlevering der mensen” (vers 8). Hij verwees ook naar het zich onderwerpen aan “geboden” van deze wereld (vers 20) en “voorschriften en leringen van mensen” (vers 22).

Was het eigenlijk wel mogelijk dat Paulus, die in Romeinen 7:12 zei dat de wet “heilig en rechtvaardig en goed” was, naar diezelfde wet verwees, of stelde hij een volkomen ander probleem aan de orde?

Infiltratie van gnosticisme
Als men rekening houdt met de historische context, wordt het antwoord duidelijk. Naarmate de Kerk in de eerste eeuw groeide en tot ontwikkeling kwam, moest ze het hoofd bieden aan de toenemende infiltratie van het gnosticisme. De invloed van dit denken en handelen is vooral merkbaar in de nieuwtestamentische geschriften van Paulus, Petrus en Johannes.

Gnosticisme “was in wezen een religieus-filosofische zienswijze, niet een duidelijk omschreven systeem” (Curtis Vaughan, The Expositor’s Bible Commentary, Deel XI, p. 166). Als zodanig was het niet een wedijverende religie, maar eerder een andere benaderingswijze van bestaande geloofsovertuigingen. Het centrale thema van gnosticisme was dat geheime kennis (gnosis is het Griekse woord voor “kennis“, vandaar de term gnosticisme) de religie van een persoon kon verdiepen of versterken.

De centrale leerstelling was dat de geest volledig het goede vertegenwoordigt, en de materie het kwade. Vanuit dit onbijbelse dualisme ontstonden . . . belangrijke dwalingen” (The New International Version Study Bible, inleiding tot I Johannes), zoals: “het menselijk lichaam is materie, en daarom slecht. Het is tegengesteld aan God, die geheel uit geest bestaat en daarom goed is“; behoud “is het ontsnappen uit het lichaam, wat niet door geloof in Christus maar door speciale kennis bereikt wordt“; en “aangezien het lichaam als slecht werd beschouwd, werd het op hardvochtige wijze behandeld. Deze ascetische vorm van gnosticisme vormt de achtergrond van een gedeelte van de brief aan de Kolossenzen.

Naast deze geloofsopvattingen “werd het gnosticisme, in al haar vormen, gekenmerkt door geloof . . . in bemiddelende wezens.” Verder werd “de kennis waarover de gnostici spraken . . . verkregen door mystieke ervaringen, niet door intellectueel begrip. Het was een occulte kennis, doordrongen van bijgelovige ideeën van astrologie en magie. Bovendien was het een esoterische kennis, alleen toegankelijk voor hen die in de mysteriën van het gnostische systeem waren ingewijd” (Vaughan, p. 167).

Verwijzingen naar gnostische leerstellingen
Al deze elementen hadden blijkbaar invloed gehad op de gemeente van Kolosse. Het is duidelijk dat Paulus deze zogenaamde speciale kennis van de gnostici bestreed door te stellen dat hij aan de Kolossenzen de
hogere, verlossende kennis van God en Jezus Christus bekendmaakte (Kolossenzen 1:9, 25-29; 2:2-3).

Paulus schreef hun “opdat niemand u met drogredenen misleide” (Kolossenzen 2:4). Hij noemde deze geheime kennis niets meer dan “wijsbegeerte en ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus” (vers 8). De belangrijkere kennis was die van God en Christus, “in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” (vers 3).

Onder de aanhangers van deze dwaalleer waren mensen die pleitten voor eerbetoon aan engelen en andere geestelijke machten. Paulus waarschuwde de Kolossenzen voor degenen die behagen schiepen in
engelenverering” (vers 18). In het licht van het verzoenend offer van Christus waren deze veronderstelde geestelijke “overheden en machten” als middel om tot God te naderen volkomen nutteloos (vers 10, 15).

Streng ascetische benadering
Gebaseerd op hun overtuiging dat de geest goed was en het vlees slecht, onderwezen deze leraren een streng ascetisme, waarbij men zichzelf ieder fysiek genot moest ontzeggen. Door “kastijding van het lichaam” (vers 23) hoopten zij grotere spiritualiteit te bereiken. Paulus beschreef hun regels als “raak niet, smaak niet, roer niet aan” (vers 21). Deze voorschriften betroffen alleen “dingen, die door het gebruik teloorgaan,” zoals hij schreef, omdat zij gebaseerd waren op “voorschriften en leringen van mensen” (vers 22) en niet op wat God hun leerde.

Dit vroege gnostische ascetisme verbond waarschijnlijk heidense denkbeelden met elementen van het judaïsme, zoals besnijdenis (vers 11). “Het is daarom waarschijnlijk dat de dwaalleer van Kolosse een mengeling was van een extreme vorm van het judaïsme en een vroege fase van het gnosticisme” (The New International Version Study Bible, inleiding tot Kolossenzen).

Uit de specifieke door Paulus behandelde leerstellingen blijkt dat een of meerdere takken van het judaïsme beïnvloed werden door gnosticisme en dat deze leer, een extreme vorm van ascetisch judaïsme vermengd met gnostische denkbeelden, in de gemeente van Kolosse was binnengedrongen. De ascetische benadering van deze valse leraren bracht hen tot veroordeling van degenen wier religieuze vieringen niet voldeden aan hun ascetische geestelijke normen. Daarom waarschuwde Paulus de Kolossenzen: “Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken . . .” (vers 16).

Veroordeeld voor de wijze waarop zij de sabbat hielden
De Kolossenzen werden niet veroordeeld voor het houden van de feesten, de nieuwe maan en de sabbatten als zodanig; zij werden veroordeeld voor de wijze waarop zij deze feesttijden hielden, blijkbaar op vreugdevolle, feestelijke wijze. Deze dagen waren tenslotte door God gegeven als feesten en vieringen. Deze benadering was volkomen tegengesteld aan de uit dit hoofdstuk duidelijk blijkende gnostische benadering, waarbij men zichzelf dat alles moest ontzeggen.

Het gnosticisme had ook betrekking op de sterren en planeten, waarnaar Paulus verwijst als “de eerste beginselen der wereld” (vers 8, Statenvertaling). Hun stand ten opzichte van elkaar beïnvloedde waarschijnlijk de wijze waarop de gnostici de feesten, de nieuwe maan en de jaarlijkse sabbatten waarnamen, omdat de kalender voor deze dagen werd bepaald door bewegingen van de hemellichamen.

Het feit dat Paulus de leden in Kolosse waarschuwde zich niet door anderen te laten veroordelen voor de wijze waarop zij de feesten, vieringen van de nieuwe maan en sabbatten hielden, betekent niet dat hij betwijfelde of ze gehouden moesten worden. De duidelijke implicatie van deze verzen is dat deze heidense christenen in feite deze dagen hielden, en dat hun op geen enkele wijze werd gezegd daarmee op te houden.

Wat Paulus aan de orde stelde is het feit dat christenen niet bekritiseerd moeten worden voor het op feestelijke wijze houden van deze dagen. Paulus waarschuwde dat de gemeenteleden zich niet door anderen
volgens misplaatste ascetische normen moesten laten oordelen in wat zij aten of dronken of hoe zij de sabbatten of feesten hielden (vers 16).

De ruimere context van Kolossenzen 2:16 is het zich vanuit vroeg gnosticisme ontwikkelende ascetisme, niet een discussie over de vraag aan welke wetten christenen gebonden zijn.

Schaduw der toekomende dingen
Hoe staat het met Paulus’ verklaring in Kolossenzen 2:17 (Statenvertaling), dat de sabbat en bijbelse feesten “zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus“? Bedoelde Paulus dat ze onbelangrijk en achterhaald waren omdat Jezus Christus de belichaming was van wat deze dagen voorafschaduwden?

In feite zei Paulus dat deze dagen “een schaduw der toekomende dingen” waren, wat wijst op een toekomstige vervulling. Het Griekse woord dat vertaald is met “toekomende” is mello, wat betekent “op het punt staan (iets te doen), dikwijls de noodzakelijkheid en zekerheid implicerend van wat staat te gebeuren” (Vine’s Expository Dictionary of New Testament Words).

Paulus gebruikt dezelfde woordconstructie in Efeziërs 1:21, waar hij zegt dat Jezus Christus is “boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw.” Hij stelt de tegenwoordige tijd tegenover de “toekomende” en laat zien dat er duidelijk een toekomstige vervulling is.

Deze toekomstige vervulling wordt ook duidelijk gemaakt door de woordkeus in Kolossenzen 2:17: deze dingen “zijn een schaduw“. Het Griekse woord esti, hier vertaald als “zijn“, is de tegenwoordige werkwoordsvorm. Als Paulus bedoeld had dat de sabbatten en feesten vervuld en achterhaald waren in Jezus Christus, zou hij noodzakelijkerwijs hebben moeten zeggen dat zij “een schaduw waren” en zou hij een totaal andere bewoording hebben gebruikt.

Paulus’ woordkeus maakt duidelijk dat de sabbat en feesten “een schaduw zijn” van dingen die nog staan te gebeuren, en niet “een schaduw waren” van dingen die vervuld en achterhaald waren in Jezus Christus.

Fysieke handelingen leren ons geestelijke lessen
Sommigen nemen aan dat bepaalde godsdienstige fysieke handelingen – voorstellingen of symbolen van grotere geestelijke waarheden – in het Nieuwe Testament “in Christus vervuld zijn” en daardoor achterhaald en onnodig zijn. Deze mensen rekenen ook de sabbat en andere bijbelse feesten tot deze categorie, op grond van Paulus’ commentaar dat zij “een schaduw van toekomende dingen” zijn.

Maar deze redenering is onjuist. Alleen omdat iets een schaduw, voorstelling of symbool is, betekent dat niet dat het minder belangrijk geworden is. Het Oude en Nieuwe Testament zijn beide vervuld van symbolen en symbolische handelingen die door God zijn opgedragen om ons belangrijke geestelijke lessen te leren.

De doop is een symbolische handeling die een grotere geestelijke waarheid voorstelt, het begraven van de oude mens en het leiden van een nieuw leven (Romeinen 6:3-4), maar toch wordt ons opgedragen ons te laten dopen (Handelingen 2:38). Het brood en de wijn van het Pascha zijn symbolen van de onmisbare geestelijke relatie met Jezus Christus, maar toch wordt ons duidelijk opgedragen deze symbolen te eten en drinken (I Korinthiërs 10:16).

Het Nieuwe Testament geeft ook opdracht tot de oplegging van handen (Hebreeën 6:2), de zalving met olie (Jakobus 5:14), de voetwassing (Johannes 13:14), het eten van ongezuurd brood (I Korinthiërs 5:6-8) en andere fysieke handelingen, niet omdat ze van grotere betekenis zijn dan wat ze symboliseren, maar om ons geestelijke begrip te vergroten en te versterken door het verrichten van deze handelingen. Tenslotte zijn wij fysieke menselijke wezens, op zoek naar geestelijk begrip. God heeft ons fysieke handelingen en symbolen gegeven om ons te helpen geestelijke lessen beter te begrijpen.

Deze voorbeelden tonen aan dat symbolen en symbolische handelingen niet strikt beperkt zijn tot de fysieke eredienst in het Oude Testament, maar duidelijk opgedragen worden als belangrijke elementen van nieuwtestamentische eredienst. Het zijn onmisbare herinneringen aan belangrijke geestelijke waarheden, zoals Paulus erkende (I Korinthiërs 11:23-26). Hetzelfde geldt voor de sabbat. Jezus Christus toonde door Zijn daden en onderwijs op de sabbat dat de sabbatsrust een type – een voorproef – is van het grote toekomstige Messiaanse tijdperk van vrede, rust, vrijheid en genezing.

In Kolossenzen 2:16-17 spreekt Paulus helemaal niet over het blijvende of voorbijgaande karakter van de sabbat. Trouwens, Paulus geeft nergens in Kolossenzen een citaat uit het Oude Testament. Hij gebruikt het Griekse woord voor “wet“, nomos, tientallen keren in zijn andere brieven, maar niet eenmaal in Kolossenzen. Waarom? Het Oude Testament en Gods wet waren eenvoudig niet het probleem.

In plaats van het houden van de sabbat te weerspreken, gaven de instructies van Paulus aan de Kolossenzen (geschreven rond 62 n.Chr.) in feite een bevestiging dat heidense christenen werkelijk meer dan 30 jaar na Christus’ dood de sabbat nog hielden, en dat de sabbat ook voor ons heden ten dage een belangrijke herinnering is aan essentiële geestelijke waarheden.

Historisch verslag in Handelingen
Van alle geschriften van Paulus worden met name de drie hiervoor besproken passages algemeen gebruikt om te bewijzen dat hij de sabbatviering afschafte. Zoals we echter hebben gezien, wordt in twee van deze
passages de sabbat zelfs niet genoemd, en in de derde passage wordt bevestigd dat heidense gelovigen werkelijk de sabbat hielden, omdat Paulus hun zei zich niet te laten oordelen voor de wijze waarop zij de sabbat hielden.

Maar naast de woorden van Paulus tonen bovendien zijn daden dat hij nooit de sabbat wilde afschaffen of veranderen en dat hij deze zelf hield.

Handelingen 13 beschrijft dat Paulus, 10 tot 15 jaar na zijn wonderbaarlijke bekering, met zijn metgezellen naar Antiochië in Klein-Azië reisde, waar zij, “op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde” (vers 14), werden uitgenodigd de gemeente toe te spreken; daarbij richtte Paulus zich zowel tot de Joden als tot de proselieten (vers 16), beschrijvend hoe de komst van Jezus Christus in de oudtestamentische geschriften was geprofeteerd.

Zijn boodschap werd blijkbaar met groot enthousiasme ontvangen: “toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende sabbat weder deze woorden te spreken” (vers 42). Merk op dat de aanwezige niet-Joden wilden dat Paulus hen de volgende sabbat meer zou leren over Christus. Waarom? Omdat zij duidelijk de sabbat al hielden, samen met de Joden in de synagoge!

Wat was Paulus’ reactie op hun verzoek? “En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen” (vers 44). Als Paulus niet in de sabbat had geloofd, kon hij hun gemakkelijk gezegd hebben de volgende of enige andere dag te komen om door hem onderwezen te worden. In plaats daarvan wachtte hij tot de volgende sabbat, toen “bijna de gehele stad”, mensen zowel van Joodse als van heidense afkomst, bijeenkwam om zijn boodschap te horen.

Toen de niet-Joden in de stad hoorden dat Paulus opdracht had ontvangen het evangelie aan de heidenen te prediken, “verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof” (vers 48). De door God geboden sabbat was de normale dag voor rust, samenkomst en onderricht in Gods levenswijze.

Ongeveer vijf jaar later, in het huidige Griekenland, kwam Paulus “te Thessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik” (Handelingen 17:1-3). Hier zien we dat het zo’n 20 jaar na Jezus’ dood en opstanding nog steeds Paulus’ gewoonte was om op de sabbat naar de synagoge te gaan, daar de Schriften te bespreken en te onderwijzen aangaande Jezus Christus!

Hij bleef zowel Joden als niet-Joden onderwijzen: “En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen” (vers 4). Paulus, die speciaal opdracht had het evangelie aan de heidenen te prediken (Handelingen 9:15; 13:47), onderwees hen in de synagogen op de sabbat!

Verscheidene jaren later ging hij naar de Griekse stad Korinthe en “hield elke sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen” (Handelingen 18:4). Nog later kwam hij in Efeze in Klein-Azië, “ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods” (Handelingen 19:8).

Het boek Handelingen werd rond 63 n.Chr. geschreven, kort voor Paulus’ terechtstelling in Rome, en beschrijft de geschiedenis van de eerste 30 jaar van de nieuwtestamentische Kerk. Het toont aan dat Paulus over een periode van vele jaren herhaaldelijk op de sabbat Joden en niet-Joden onderwees. Ook al was hij de apostel voor de heidenen, nooit gaf hij hun te kennen dat de sabbat achterhaald of onnodig was.

Als men wil stellen dat de apostel Paulus pleitte voor het afschaffen of ongeldig verklaren van de sabbat, moet men niet alleen Paulus’ woorden buiten de context plaatsen en verdraaien, in directe tegenspraak met zijn andere verklaringen, maar moet men ook de geschreven ooggetuigeverslagen van Lukas over de Kerk uit die tijd negeren of verdraaien. Het boek Handelingen bevat geen bewijs dat de sabbat gedurende die periode werd afgeschaft of veranderd.

Tijdens de tegen hem gevoerde gerechtelijke procedures verzekerde Paulus allen die hem hoorden dat hij geloofde in de wet en niets had gedaan in strijd met de wet (Handelingen 24:14; 25:8). Hij zei dat de
wet van God door geloof niet wordt opgeheven of afgeschaft: “Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet” (Romeinen 3:31).

Zijn conclusie was: “besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wèl het houden van Gods geboden” (I Korinthiërs 7:19). Dat is zijn ondubbelzinnige stelling: Het gaat om het gehoorzamen van Gods geboden. Deze zijn van essentieel belang voor onze relatie met God.

Door de sabbat te houden deed Paulus slechts wat hij anderen zei te doen: “Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg” (I Korinthiërs 11:1). Hij hield de sabbat zoals ook zijn Meester dat had gedaan.

Zich verlustigen in de wet van God
Paulus zei zelf: “naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods” (Romeinen 7:22); hij zei niet dat hij deze wilde afschaffen. “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed,” bevestigde hij (Romeinen 7:12).

Het zag het Nieuwe Testament niet als een vervanging van het Oude. Tenslotte waren er als zodanig geen nieuwtestamentische geschriften tijdens zijn leven – zij werden pas tientallen jaren na zijn dood samengevoegd. Paulus citeerde tientallen malen in zijn geschriften uit wat wij het Oude Testament noemen, waarbij hij het volledig aanvaardde en gebruikte als een autoriteit en gids voor het leven (Romeinen 15:4; II Timotheüs 3:15).

De nieuwtestamentische Kerk bleef eenvoudig oudtestamentische gebruiken in acht nemen, inclusief de sabbat, maar met groter inzicht en met begrip van hun geestelijke betekenis.

Gods sabbat in de wereld van vandaag
“Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op Mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des HEREN van gewicht . . . dan zult gij u verlustigen in de HERE . . .” (Jesaja 58:13-14).

Is de sabbat relevant? Is het wel praktisch om in de wereld van vandaag de sabbat te houden? Hoe behoort de sabbat heden ten dage gehouden te worden?

Laten we voor het beantwoorden van deze vragen eens zien wat de Bijbel, Gods geïnspireerde Woord, openbaart.

Jezus Christus zei dat Hij “heer . . . over de sabbat” was en dat “de sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat” (Markus 2:27-28). Hij beperkte de sabbat niet door te leren dat deze gemaakt is voor een speciale groep mensen in een bepaalde geschiedkundige periode. Hij leerde daarentegen dat de sabbat gemaakt is voor de gehele mensheid, voor alle tijden. Dit is vastgelegd in de Tien Geboden, die het middelpunt vormen van Gods goddelijke wet voor de mensheid.

Juiste relatie met God
De sabbat is gemaakt voor de mens, maar met welk doel?

Het boek Jesaja, hoofdstuk 58 en 59, beschrijft dat de mensheid van God gescheiden is door zonde. “Zie, de hand des HEREN is niet te kort om te verlossen, en Zijn oor niet te onmachtig om te horen; maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort” (Jesaja 59:1-2). Deze verzen verwijzen naar de huichelarij van degenen die beweren God te zoeken, maar die nog vervuld zijn van zonde en slechte bedoelingen (Jesaja 58:1-4; 59:4-15).

Maar God maakt duidelijk dat wij met Hem verzoend kunnen worden: “als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN” (Jesaja 59:20). Jezus Christus is die geprofeteerde Verlosser, Degene die de mensheid voor God zal verlossen of vrijkopen, door het offer van Zijn leven (Johannes 3:16; I Petrus 1:18-19; I Johannes 2:2; 4:9-10).

God beschrijft ook hoe men een juiste relatie met Hem kan opbouwen. Dat gaat gepaard met nederigheid en vasten, opdat wij God en Zijn wegen zouden kunnen gaan begrijpen. “Als gij dan roept, zal de HERE
antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: Hier ben Ik. Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat, wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukte verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag. En de HERE zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt” (Jesaja 58:9-11).

Juist begrip van de sabbat
Dit schriftgedeelte spreekt over nog een ander essentieel element in het opbouwen van die juiste relatie met God, namelijk het juiste begrip en in acht nemen van de sabbat.

Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op Mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des HEREN van gewicht, en die eert door noch uw gewone bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, dan zult gij u verlustigen in de HERE en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des HEREN heeft het gesproken” (Jesaja 58:13-14).

Hier zien we Gods ware bedoeling met de sabbat: deze is onderdeel van een juiste, liefhebbende relatie met Hem. Het is een zaak van God eren. Het is een zaak van het opgeven van een van onze kostbaarste bezittingen – onze tijd – om een juiste relatie op te bouwen met onze Schepper.

Het op de juiste wijze houden van de sabbat, volgens de door God hier gegeven instructie, betekent zich afkeren van “uw gewone bezigheden te doen“, “uw zaken te doen” en “ijdele taal uit te slaan“. God zegt dat Zijn heilige tijd door deze daden met voeten wordt getreden.

Maar de sabbat is geen tijd voor nietsdoen. Het behoort een tijd te zijn voor opbouw van een relatie met God. Het behoort een verlustiging te zijn, een tijd om “u [te] verlustigen in de HERE.”

In plaats van deze tijd te besteden aan onze eigen belangen en bezigheden, is het een apart gezette tijd om ons te concentreren op de dingen die God welgevallig zijn en die onze relatie met Hem bevorderen.

Het opbouwen van een juiste relatie
Hoe bouwen we deze juiste relatie op met God? Ze wordt opgebouwd door contact en communicatie met Hem. Wij spreken tot God door gebed. Hij spreekt tot ons door Zijn geïnspireerde Woord, de Bijbel. Dit zijn
essentiële sleutels tot een juiste relatie met God.

Volhardt in het gebed,” wordt ons gezegd (Kolossenzen 4:2). “Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u,” onderwees Paulus (I Thessalonicenzen 5:16-18). “Een krachtig gebed van de rechtvaardige vermag veel,” schreef Jakobus (Jakobus 5:16, Statenvertaling).

Jezus Christus verwachtte van Zijn volgelingen dat zij zouden bidden en zei tot hen: “wanneer gij bidt . . .” (Mattheüs 6:5-7; Markus 11:24; Lukas 11:2). Hij gaf hun specifieke instructie over gebed en moedigde hen aan dat zij “altijd moesten bidden en niet verslappen” (Lukas 18:1).

Gods sabbat is een ideale tijd voor extra gebed en contact met God. Door op die dag af te zien van ons gebruikelijke werk en andere bezigheden, hebben we extra tijd over om met God door te brengen voor opbouw van onze relatie met Hem.

De sabbat is ook een ideale tijd voor God om met ons te spreken. Hij geeft ons onderwijs door middel van Zijn Woord, de Bijbel. “Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust,” schreef Paulus aan Timotheüs (II Timotheüs 3:16-17).

Niet alleen helpt het houden van de sabbat ons Gods wegen te begrijpen; het helpt ons ook onze eigen gedachten en beweegredenen te begrijpen en toont ons waarin wij kunnen veranderen, om meer zoals God te
worden. Hebreeën 4:12 zegt ons: “het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten.

Wij moeten een ernstig verlangen hebben Gods Woord te bestuderen en er meer over te leren. “Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwassen,” wordt ons gezegd (I Petrus 2:2).

David, een man naar Gods hart (Handelingen 13:22), begreep dat Gods Woord ons de juiste levenswijze toont: “Waarmee zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar Uw woord . . . Ik berg Uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige” (Psalm 119:9, 11).

David gebruikte deze tijd, die God toebehoort, om na te denken over Gods wegen en een voor God meer welgevallig leven te leren leiden. “Uw bevelen zal ik overdenken en op Uw paden zal ik letten . . . Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag,” schreef hij (Psalm 119:15, 97).

Erediensten op de sabbat
Gods sabbat is een tijd voor omgang met anderen van dezelfde gezindheid, een tijd voor het elkaar wederzijds bemoedigen: “En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen” (Hebreeën 10:24-25).

Van gelovigen wordt verwacht dat zij samenkomen voor een eredienst (I Korinthiërs 11:18; 14:23). Zoals vermeld moeten wij niet “onze eigen bijeenkomst” verzuimen. In het Oude Testament was de sabbat “een
heilige samenkomst“, ook vertaald als “een heilige samenroeping” (Leviticus 23:3, Statenvertaling). God gebood Zijn volk op die dag samen te komen om Hem te aanbidden.

Van Gods dienaren wordt verwacht dat zij Gods volk onderwijs geven over Zijn levenswijze. Paulus gaf de volgende opdracht aan de jongere dienaar Timotheüs: “verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting” (II Timotheüs 4:2).

Zoals we reeds lazen, was het de vaste gewoonte van Jezus Christus en de apostel Paulus om op de sabbat een samenkomst in de synagoge bij te wonen, om te onderwijzen en om persoonlijk contact te hebben met
degenen die Gods wegen wilden leren. Jezus Christus toonde voortdurend door Zijn daden – door Gods Woord en levenswijze uit te leggen en door werken van barmhartigheid – wat de juiste wijze was om deze dag te houden. Ook in deze tijd is Gods sabbat de juiste dag om te rusten van ons normale werk en onze bezigheden, een dag om tijd te reserveren voor het samenkomen met andere gelovigen om God te aanbidden en in Zijn levenswijze onderricht te worden, en om bovendien goede werken te doen die als voorbeeld dienen van Gods levenswijze.

Een relatie met God opbouwen
God zegt ons: “de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen . . .” (Exodus 20:10). Hij maakte duidelijk dat op die dag ons gewone, dagelijkse werk niet toegestaan was en dat de sabbat een speciale dag behoorde te zijn. Onder het nationale bestuur van Gods wetten in het oude Israël was de sabbat zo belangrijk voor God dat hij bepaalde dat degenen die dit gebod overtraden ter dood gebracht moesten worden (Exodus 31:14-16; 35:2).

Toen Israël uit Egypte kwam, bevestigde God dit Gebod door 40 jaar lang iedere week op de zesde dag een dubbele hoeveelheid manna te geven en niets op de sabbat (Exodus 16:26, 35; Jozua 5:12) – in totaal meer dan 2000 wonderen! Het sabbatsgebod is duidelijk belangrijk voor God en Hij verwacht dat eraan gehoorzaamd wordt. Het houden ervan is essentieel voor het in stand houden van een echte relatie met God.

In de Life Application Bible, bij het commentaar op Exodus 20:8-11, wordt uitgelegd waarom wij als mensen de sabbat nodig hebben: “De sabbat was een dag die apart gezet was voor rust en eredienst. God gebood een sabbat omdat het voor mensen iedere week nodig is om zonder haast tijd door te brengen in aanbidding en rust. Een God die bezorgd genoeg is om ons iedere week een dag rust te geven, is werkelijk wonderbaarlijk. Het in deze gehaaste wereld in acht nemen van een vaste tijd voor rust en eredienst laat zien hoe belangrijk God voor ons is, en geeft ons het extra voordeel van geestelijke verkwikking.”

Jezus Christus toonde door Zijn voorbeeld de juiste wijze van het houden van de sabbat. Het was nooit de bedoeling geweest dat het een vreugdeloze dag zou zijn met eindeloze beperkingen die nauwkeurig omschreven wat wel en wat niet toegestaan was. Hij gebruikte deze dag als een tijd om te genieten van het delen met anderen van de vreugde van Gods Woord en Zijn levenswijze; Hij maakte duidelijk dat de sabbat een tijd was voor het versterken van onze relatie met God. Hij gebruikte het als een tijd voor genezing – fysiek, verstandelijk, emotioneel en geestelijk. Het was een tijd om de ongelukkigen te bemoedigen en het  helpen.

Jezus Christus maakte duidelijk dat het zeker niet verkeerd was om goed te doen op de sabbat, erop wijzend dat Gods sabbatsgebod dat nooit had verboden. Hij benadrukte waar deze dag voor bedoeld is, in plaats van alle dingen op te noemen die wij niet kunnen doen. Zijn daden op de sabbat verwezen naar het toekomstige tijdperk waarover Hij sprak als “het Koninkrijk van God“, waarin de gehele mensheid zal delen in de door God beloofde genezing, vreugde en vrijheid (Mattheüs 4:23; 9:35; Lukas 4:16-19; 9:11; 10:9).

Het voorbeeld van Christus maakte duidelijk dat de sabbat een dag van fysieke rust en geestelijke verjonging behoort te zijn. Het is de bedoeling dat deze dag een welkome, verkwikkende rust is van onze wekelijkse inspanningen, een tijd gedurende welke wij niet langer door onze gewone dagelijkse beslommeringen en zorgen in beslag genomen moeten worden.

Doel van Gods geboden
Gods Woord zegt ons dat Zijn geboden nooit zwaar zijn (I Johannes 5:3). Ze zijn niet zinloos of willekeurig. Ze werden in liefde aan de mensheid gegeven door een God van oneindige wijsheid en kennis (Jesaja
55:8-9). Ze werden gegeven tot welzijn van de mensheid en zouden bij gehoorzaamheid zegeningen brengen (Deuteronomium 4:40; 5:29, 33). Tot deze geboden behoort Gods sabbat. Het is een dag van rust en verkwikking, aan de mens gegeven door Degene die de mens heeft ontworpen en geschapen. Het is een tijd voor fysieke, emotionele en geestelijke vernieuwing.

God wist dat wij deze tijd nodig zouden hebben om een juiste relatie met Hem te voeden en te versterken. Een deel van het sabbatsgebod is: “zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen . . .” God zegt ons dat wij op de andere zes dagen ons gewone werk en onze zaken moeten afhandelen, opdat wij tijd en aandacht beschikbaar hebben om Hem op juiste wijze te aanbidden en gehoorzamen door het houden van de sabbat. Als wij ons denken en onze gedachten vrij kunnen richten op Gods weg en Zijn doel, wordt de sabbat werkelijk de zegening en verlustiging waartoe God deze bestemd heeft (Jesaja 58:13-14).

Op deze zevende dag van iedere week moeten wij ophouden met ons eigen werk en God toestaan in ons te werken, door onze relatie met onze Schepper op te bouwen en te versterken.

Wanneer begint en eindigt de sabbat?
Onze algemene regel om een nieuwe dag bij middernacht te beginnen, is een willekeurig menselijk gebruik. God echter, die de hemellichamen schiep en in beweging zette om het verloop van de tijd aan te geven (Genesis 1:14), telt de dagen anders – van avond tot avond.

Dit wordt duidelijk gemaakt in het scheppingsverslag in Genesis 1. Nadat God de dag van de nacht gescheiden heeft, wordt ons verteld: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag” (vers 5). “Avond” wordt eerst genoemd, gevolgd door “morgen“. God beschrijft de schepping van iedere dag met dezelfde woorden (vers 8, 13, 19, 23, 31).

In de Bijbel begon de avond als de zon onderging (Jozua 8:29; II Kronieken 18:34; Nehemia 13:19; Markus 1:32), en op dat tijdstip begon een nieuwe dag. God gebood ook Zijn sabbatten te houden “van avond tot
avond” (Leviticus 23:32). Dit was in die tijd het gebruikelijke principe voor begin en einde van de dagen (Exodus 12:18).

In nieuwtestamentische tijden werden de dagen op dezelfde wijze bepaald. Markus 1:32 vermeldt dat men na het ondergaan van de zon, wat het einde betekende van een sabbat, vele ernstig zieken naar Jezus
bracht om genezen te worden; men had tot na de sabbat gewacht met Hem te benaderen. De evangeliën vermelden ook dat Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus vóór de avond in de graftombe legde, om niet te werken op een jaarlijkse sabbat (Mattheüs 27:57-60; Markus 15:42-46; Lukas 23:50-54).

God, de Schepper van de sabbat, bepaalt het begin en einde ervan en de gehele Bijbel door werd deze dag gehouden van zonsondergang tot zonsondergang. Gods sabbat begint vrijdagavond bij zonsondergang en eindigt zaterdagavond bij zonsondergang.

Welke dag is de sabbat?
Welke dag is de sabbat? Aangezien de meeste kerken de zondag houden als dag van rust en eredienst, wordt door veel mensen aangenomen dat zondag de sabbat is.

Het Vierde Gebod zegt: “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen . . .” (Exodus 20:8-10).

God gebood de zevende dag te houden als de sabbat. Uit vrijwel alle woordenboeken of encyclopedieën blijkt dat zaterdag de zevende dag van de week is, en dat zondag de eerste dag van de week is. Volgens Gods kalender is de zevende dag de sabbatdag – en is dat ook altijd geweest. Hoewel de mens door de eeuwen heen kalenders heeft gewijzigd, is de wekelijkse cyclus van zeven dagen heel de geschiedenis door intact gebleven. De dagen van de week zijn altijd in hun juiste volgorde gebleven, met zondag als eerste dag van de week en zaterdag als zevende dag.

De woorden Gods” – Zijn goddelijke woorden en instructies – werden aan het Joodse volk toevertrouwd (Romeinen 3:1-2), en zij hebben de kennis van de zevende dag als sabbat getrouw bewaard, vanaf ver voor
Christus’ tijd tot op deze dag.

Geen bijbelse opdracht
Hoe werd zondag de voornaamste dag voor rust en eredienst? Hoewel het idee van rust grotendeels verdwenen is, blijven de meeste denominaties hun kerkdiensten op zondag houden. U kunt de gehele Bijbel
doorzoeken, maar u zult geen opdracht vinden om de dag van eredienst te veranderen.

Kardinaal James Gibbons, aartsbisschop van Baltimore rond 1900, beschreef deze verandering ronduit als volgt: “U zult bij het lezen van de Bijbel, van Genesis tot Openbaring, geen enkele regel vinden waar opdracht wordt gegeven tot heiliging van de zondag. De Bijbel benadrukt de religieuze viering van de zaterdag, een dag die wij nooit heiligen. De Katholieke Kerk leert terecht dat onze Heer en Zijn Apostelen bepaalde belangrijke godsdienstplichten hebben ingeprent die niet door de geïnspireerde schrijvers vermeld worden . . . Wij moeten daarom concluderen dat de Bijbel alleen niet toereikend kan zijn als leidraad voor het geloof” (The Faith of Our Fathers, in 1917 uitgegeven door John Murphy, Baltimore).

Kunt u dat bevatten? De schrijver geeft toe dat er nergens in de Bijbel opdracht wordt gegeven tot zondagsviering en dat de zevende dag de enige dag is die door de Bijbel wordt geheiligd. Hij rechtvaardigt het veranderen van de dag van rust en eredienst door aan te nemen dat er naast de Bijbel nog een ander gezag bestaat dat bepaalt wat de voor behoud noodzakelijke waarheden en gebruiken zijn.

Verandering na het op schrift stellen van het Nieuwe Testament
De verandering van sabbat naar zondag vond veel later plaats dan het op schrift stellen van het Nieuwe Testament. Er zijn geen duidelijke verwijzingen naar zondag als dag van christelijke eredienst tot aan de geschriften van Barnabas en Justinus, respectievelijk 135 en 150 n.Chr. Het houden van erediensten op zondag schijnt te zijn doorgevoerd tijdens de regering van keizer Hadrianus (117-135 n.Chr.), die een wrede vervolging instelde van Joden in het gehele Romeinse Rijk. Hadrianus verbood met name de gebruiken van het judaïsme, waaronder het houden van de zevende dag als sabbat.

Door de invloed van deze maatregelen werden blijkbaar vele vroege christenen in Rome ertoe gebracht afstand te nemen van de zevende dag en over te gaan tot het houden van de zondag, die volgens de Romeinse geschiedenis als dag van verering van de zon werd gevierd. Binnen enkele eeuwen was het door christenen houden van de sabbat binnen de grenzen van het rijk vrijwel uitgebannen en vervangen door zondagsviering.

Hoewel de protestantse Reformatie enige doctrinaire en bestuurlijke veranderingen bracht, bleef de zondagsviering ook in de protestantse denominaties voortbestaan. In het algemeen gaven deze kerken als reden dat de zevende dag als sabbat in het Nieuwe Testament zou zijn vervangen door erediensten op zondag ter ere van Christus’ opstanding (zie het kader “Was zondag de nieuwtestamentische dag van eredienst?”).

Zoals reeds door kardinaal Gibbons werd bevestigd, is er geen bijbels gezag om de dag van rust en eredienst te veranderen van de zevende dag naar zondag. Zoals in dit boekje wordt duidelijk gemaakt, bleven Jezus Christus, de apostelen en zowel Joodse als niet-Joodse leden van de vroege Kerk de zevende dag als sabbat houden. Dit is de enige dag die in de Bijbel wordt opgedragen.

Wat is legalisme?
In dit gehele hoofdstuk wordt verwezen naar de legalistische (of wettische) benadering van de religieuze autoriteiten die Jezus Christus beschuldigden van het overtreden van de sabbat. Maar wat betekent de term “legalisme“? Een woordenboekdefinitie van legalisme is “het op een strikte, letterlijke of buitensporige wijze naleven van de wet of een religieuze of morele code“.

Tegenwoordig wordt dikwijls aan dit woord de betekenis verbonden dat iedere vorm van het houden van bijbelse wetten legalisme is en daarom vermeden moet worden. De term wordt in ongunstige zin gebruikt, vooral tegen bepaalde gebruiken zoals het houden van de sabbat of het zich houden aan andere in het Oude Testament gegeven wetten.

Dit is echter een onjuist gebruik van het woord legalisme. Het is niet legalistisch of wettisch om Gods wetten op de juiste wijze te gehoorzamen. Het is legalistisch om Gods wetten te misbruiken op een
wijze die nooit de bedoeling ervan was.

Interpretaties van Farizeeën ondermijnden Gods wet
De Farizeeën, aanhangers van een uitzonderlijk strenge vorm van judaïsme, waren voorbeeld hiervan. Zij voegden vele van hun menselijke regels en voorschriften toe aan Gods wetten, wat tot gevolg had dat
deze verkeerd werden voorgesteld en toegepast.

Door hun toegevoegde interpretaties van Gods wetten werd de oorspronkelijke bedoeling zo verdraaid dat deze wetten daardoor van hun kracht beroofd (Mattheüs 15:6) en tenietgedaan werden. Door het volgen
van de interpretaties en verordeningen van de Farizeeën volgde het volk niet langer Gods wet (Johannes 7:19).

Deze verkeerde voorstelling van Gods wet bracht velen ertoe Jezus Christus als de beloofde Messias te verwerpen, zelfs al had diezelfde wet over Hem geprofeteerd (Johannes 5:39; Lukas 24:44).

Dit was de reden waarom Christus het gebrek aan begrip en de huichelarij van de religieuze leiders van Zijn tijd zo sterk veroordeelde. Hij leerde een terugkeren naar de juiste onderwijzing en toepassing van Gods wetten volgens hun oorspronkelijke bedoeling, en maakte ook bekend dat Hij de beloofde Messias was.

Paulus veroordeelde misbruik van de wet
Ook de apostel Paulus gaf uitgebreid schriftelijk verweer tegen verkeerde voorstellingen van de juiste toepassing van Gods wet. Dit is vooral duidelijk in het boek Galaten. Wat Paulus aan de orde stelde was niet het op juiste wijze houden van Gods wet, iets dat hij zelf op andere plaatsen bevestigde (Romeinen 3:31; 7:12, 14, 22, 25); het betrof echter de stelling dat “rechtvaardiging” (het vergeven en tot rechtvaardige staat herstellen van een zondaar) bereikt kon worden door besnijdenis en het strikt houden van de wet.

Sommige valse leraren (Galaten 2:4; 5:10, 12; 6:12-13) hadden een ondermijnende invloed op de gemeenten van Galatië, door ten onrechte te stellen dat de besnijdenis en het houden van de wet afdoende voorwaarden waren voor rechtvaardiging en behoud, onafhankelijk van geloof in Jezus Christus.

Paulus veroordeelde deze dwaalleer en merkte op dat gehoorzaamheid aan de wet nooit eeuwig leven mogelijk had gemaakt (Galaten 3:21). Hij maakte duidelijk dat rechtvaardiging – het in Gods ogen rechtvaardig
gemaakt worden en zo toegang verkrijgen tot eeuwig leven – alleen beschikbaar is door Jezus Christus (Galaten 2:16; 3:1-3, 10-11, 22; 5:1-4).

Paulus maakte duidelijk dat voor vergeving van zonden een offer vereist is, en dat zelfs de meest strikte naleving van de wet de noodzaak van dat offer niet kan wegnemen.

De wet van God blijft echter de rechtvaardige norm volgens welke de gehele mensheid zal worden geoordeeld (Jakobus 2:8, 12). Paulus zei dat de wet niet wordt opgeheven of afgeschaft door geloof in Christus
(Romeinen 3:31), zoals velen ten onrechte geloven, maar dat de juiste toepassing van de wet door geloof bevestigd wordt.

Salomo kwam tot de slotsom dat voor alle mensen de plicht geldt: “Vrees God en onderhoud Zijn geboden” (Prediker 12:13); hij bracht onder woorden wat het blijvende doel van God is voor de gehele mensheid.
De apostel Johannes stemde daarmee in door te concluderen dat wij, als wij God liefhebben, Zijn geboden zullen houden (I Johannes 5:3).

Tot de bij overspel betrapte vrouw zei Christus: “zondig van nu af niet meer” (Johannes 8:11) – ofwel, met andere woorden: “houd Gods wet“. Jezus vertelde de rijke jongeman, die tot Hem kwam met de vraag wat hij kon doen om eeuwig leven te hebben: “indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden” (Mattheüs 19:17).

Bijbelse voorbeelden van legalisme
Wat zegt de Bijbel over legalisme?

Het stellen van door mensen bedachte wetten in de plaats van Gods wetten, zoals de Farizeeën deden, is legalisme.

Het vertrouwen op het houden van een wet om daardoor rechtvaardig gemaakt te worden in Gods ogen, in plaats van door geloof in Christus, is legalisme.

Als men uitsluitend gericht is op gehoorzaamheid aan de wet, zonder de motivatie God te behagen en God en de naaste lief te hebben, wordt de bedoeling van de wet verdraaid (Mattheüs 22:36-40; Romeinen
13:10); dit is legalisme.

Als men gelooft dat men door het houden van Gods wet als beloning behoud kan verdienen, maakt men zich schuldig aan legalisme.

Formele of strikte gehoorzaamheid aan de exacte letter van de wet, terwijl men wegen zoekt om de achterliggende bedoeling te ontwijken, is legalisme.

De juiste gehoorzaamheid is geen legalisme
Echter, één ding wordt door de Bijbel en door Jezus Christus volkomen duidelijk gemaakt: de juiste gehoorzaamheid aan de wet van God is geen legalisme.

Na zijn bekering wordt aan een christen een veel vollediger begrip van de bedoeling van Gods wet gegeven. Hij begrijpt dan hoe belangrijk het is te geloven in de rol en het offer van Jezus Christus. Hij verkrijgt een meer volledig begrip van de reden waarom men gehoorzaam behoort te zijn. Maar hij moet nog wel gehoorzamen. Dat is geen legalisme.

Het in een juiste houding gehoorzamen van Gods bijbelse geboden, zoals Zijn gebod om de sabbat te gedenken en heilig te houden, is geen legalisme. Een dergelijke misvatting is misleidend en in tegenspraak met
Jezus Christus’ eigen gebod (Mattheüs 5:19).

Was zondag de nieuwtestamentische dag van eredienst?
Door drie schriftgedeelten worden sommige mensen ertoe gebracht te geloven dat zondag de dag van rust en eredienst was voor de nieuwtestamentische Kerk. Laten we deze passages nader beschouwen om te zien of dit juist is.

Eén schriftgedeelte dat gewoonlijk aangehaald wordt om zondagsviering te rechtvaardigen is Openbaring 1:10, waar Johannes zei: “ik was in de geest op de dag des Heren . . .” (Statenvertaling). Sommigen geloven dat dit betekent dat Johannes de zondag heiligde en op die dag het visioen had. Maar nergens in de Bijbel wordt “dag des Heren” gedefinieerd als de eerste dag van de week. Dit is trouwens de enige plaats in de Bijbel waar deze term wordt gebruikt, wat nauwelijks het geval zou kunnen zijn als de Kerk al jarenlang de zondag had gehouden, zoals sommigen beweren.

Als dit verwijst naar een bepaalde dag van de week, zouden we moeten concluderen dat Johannes de zevende dag bedoelde, aangezien Jezus Christus zei dat Hij de “heer . . . over de sabbat” was (Markus 2:28).

Uit de context van Johannes’ visioen blijkt echter dat Johannes helemaal niet verwees naar een bepaalde dag van de week. Hij schreef daarentegen dat het visioen hem bracht in de toekomstige tijd die elders in de Bijbel ook de “dag van de HERE” wordt genoemd, of “dag van onze Here Jezus [Christus]” (Jeremia 46:10; Handelingen 2:20; I Korinthiërs 1:8; 5:5; II Korinthiërs 1:14; I Thessalonicenzen 5:2; II Thessalonicenzen 2:2; II Petrus 3:10).

Deze termen spreken niet over één specifieke afzonderlijke dag. Zij verwijzen naar de gebeurtenissen in de eindtijd rond de terugkeer van Jezus Christus, als Hij zich persoonlijk en rechtstreeks zal mengen in de zaken van de mensheid. Deze termen verwijzen dan ook naar het einde van het tijdperk van menselijk bestuur en het begin van het tijdperk van Jezus Christus. Dit is het thema van het boek Openbaring en van de “dag des Heren” die Johannes in een visioen zag.

Brood breken op zondag?
Een ander schriftgedeelte dat volgens sommigen aantoont dat de nieuwtestamentische Kerk de zondag hield, is Handelingen 20:7: “En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht.

Sommigen denken dat “brood breken” verwijst naar het brood en de wijn van het nieuwtestamentische Pascha, en dat het daarom een eredienst betreft op de eerste dag van de week. Het breken van brood verwijst
echter niet naar een eredienst, maar naar het in stukken verdelen van platte broden voor een maaltijd. “Het betekent voedsel delen en het wordt gebruikt voor het eten van een maaltijd . . . De lezers [van de oorspronkelijke nieuwtestamentische brieven en manuscripten] konden geen ander idee of betekenis in gedachten hebben gehad” (E.W. Bullinger, Figures of Speech Used in the Bible, p. 839-840). Dit wordt bewezen door het feit dat zij, nadat Paulus had gesproken, opnieuw brood braken en aten (Handelingen 20:11). Breken van brood om een maaltijd te eten wordt genoemd in Lukas 24:30, 35 en Handelingen 27:35.

Het tijdstip van deze gebeurtenissen helpt ons dit duidelijker te begrijpen. Handelingen 20:7-11 beschrijft verscheidene gebeurtenissen gedurende één avond en nacht. Aangezien in de Bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, de dagen beginnen bij zonsondergang (zie het kader “wanneer begint en eindigt de sabbat?“), begonnen deze gebeurtenissen met een maaltijd na de sabbat op zaterdagavond, de enige avond van “de eerste dag van de week“. Verscheidene vertalingen stellen duidelijk dat dit gebeurde op zaterdagavond.

Paulus was van plan de volgende dag te vertrekken naar een andere stad, dus bleef hij en sprak tot ver in de avond. Om middernacht werd een jongeman uit de gemeente door slaap overmand, viel uit het raam waar hij zat en werd door deze val gedood. Paulus snelde naar de jongeman, die op wonderbaarlijke wijze weer tot leven kwam. Daarna ging men opnieuw brood breken en eten, nog in gesprek blijvend tot het bijna licht werd en Paulus vertrok.

Na de gehele avond en nacht gesproken te hebben, liep Paulus de volgende morgen ongeveer 30 kilometer naar Assus, om de overige mensen van zijn gezelschap te ontmoeten, die per boot daarheen gegaan waren
(vers 11, 13-14). In plaats van een beschrijving te geven van een eredienst op zondag, doet deze passage in feite verslag van het feit dat Paulus op de eerste dag van de week 30 kilometer te voet ging – wat dit voor hem niet bepaald een dag van rust en eredienst maakte!

Collecte tijdens een dienst op zondag?
Sommige mensen nemen aan dat I Korinthiërs 16:1-2 verwijst naar een collecte tijdens een zondagse eredienst. Nader beschouwd blijkt dat dit niet is wat Paulus bedoelt. Hoewel de Bijbel zegt dat de collecte plaatsvond op de eerste dag van de week, wordt nergens gezegd dat er een kerkdienst bij betrokken was.

Dit was een speciale inzameling “voor de heiligen“, leden van de kerk in Jeruzalem (vers 1, 3). Het was deel van een uitgebreidere hulpactie waarbij andere leden in Galatië, Macedonië en Achaje betrokken waren (Romeinen 15:25-26), evenals de leden in Korinthe aan wie Paulus schreef. Deze hulpverlening kan misschien dezelfde zijn als beschreven in Handelingen 11, toen een hongersnood de leden ertoe bracht iets te  zenden “tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden . . . door de hand van Barnabas en Saulus” (Handelingen 11:28-30).

Paulus geeft niet aan dat deze inzameling tijdens een eredienst moest worden gehouden. Integendeel, hij zegt de Korinthiërs: “elke eerste dag der week legge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden” (I Korinthiërs 16:2). Deze bijdragen moesten worden “weggelegd” en “opgespaard“, niet naar een kerkdienst gebracht en daar verzameld.

In geen enkel ander schriftgedeelte wordt iets vermeld dat in de verste verte lijkt op erediensten op de eerste dag van de week. Nergens in het Nieuwe Testament, dat werd geschreven gedurende een periode
van meer dan 60 jaar na Jezus’ dood en opstanding, blijkt dat de rustdag werd veranderd naar zondag.

Werd Gods wet in het Nieuwe Testament afgeschaft?
Als de sabbat werkelijk in het Nieuwe Testament werd afgeschaft, zouden wij talrijke passages in het Nieuwe Testament vinden om dat duidelijk te maken. Voor het nietig verklaren van één van Gods Tien Geboden
zou zeker niets minder vereist zijn.

Jezus Christus zei dat “er niet één jota of één tittel [zal] vergaan van de wet” totdat alles “zal zijn geschied“, of de bedoeling ervan zal zijn vervuld (Mattheüs 5:18). Verscheidene passages en hoofdstukken van het Nieuwe Testament maken de geestelijke bedoeling duidelijk van bepaalde gebruiken, zoals dierlijke offeranden en tempeldienst (Hebreeën 7:11-19; 8:1-6; 9:1-15; 10:1-18).

Maar Gods geboden zijn blijvend. De boeken van het Nieuwe Testament die het laatst werden geschreven, waren de brieven van Johannes (in 85-95 n.Chr.) en het boek Openbaring (rond 95 n.Chr.). Waren de
Tien Geboden tegen die tijd afgeschaft? Let op de woorden van Johannes: “En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet” (I Johannes 2:3-4).

Johannes definieerde zonde als het overtreden van Gods wetten. “Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid,” schreef hij (I Johannes 3:4). Hij wist dat Gods wet een wet van liefde is, waardoor zowel onze liefde voor anderen als voor God bepaald wordt: “Hieraan onderkennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden doen. Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren. En Zijn geboden zijn niet zwaar” (I Johannes 5:2-3).

De bedoeling van Gods wet is vanaf het begin liefde geweest, zoals ook Jezus Christus leerde: “dit is de liefde, dat wij naar Zijn geboden wandelen. Dit is het gebod, gelijk gij het van den beginne gehoord hebt, dat gij daarin moet wandelen” (II Johannes 6).

Het boek Openbaring, onder goddelijke inspiratie van Jezus Christus Zelf (Openbaring 1:1), bevestigt ook het houden van Gods geboden. In Openbaring 12:17, kort voor de terugkeer van Jezus Christus, tracht Satan leden van Gods Kerk te vernietigen, “die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben.”

In Openbaring 14:12 worden de heiligen beschreven als degenen “die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.” Geloof en het houden van Gods geboden gaan hand in hand, zoals Paulus reeds stelde in Romeinen 3:31.

Tenslotte geeft Christus nog een laatste waarschuwing aan de Kerk: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is” (Openbaring 22:12). “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen . . .” (vers 14, Statenvertaling).

Waarom wordt het sabbatsgebod niet herhaald in het Nieuwe Testament?
Sommige mensen geloven dat het sabbatsgebod, omdat het niet expliciet herhaald wordt in het Nieuwe Testament, niet langer bindend is.

Het sabbatsgebod behoefde eenvoudig niet herhaald te worden in het Nieuwe Testament omdat de mensen tot wie Jezus Christus en de apostelen predikten, nooit zouden denken dat een herhaling ervan nodig was.

De Schriften die later het Oude Testament genoemd zouden worden, waren hun Bijbel, hun gids voor het leven (Romeinen 15:4). Paulus beschreef deze als door inspiratie van God gegeven en “nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust” (II Timotheüs 3:16-17). In de heilige Schriften werd hun duidelijk het gebod gegeven de sabbat te houden, en het volk aanvaardde dat als Gods geïnspireerde instructie.

Jezus Christus en de apostelen leefden en gaven onderwijs in een sabbathoudende samenleving. Jezus’ confrontaties met de Farizeeën betroffen de wijze waarop men de sabbat moest houden, nooit de vraag of men deze moest houden.

Toen de apostelen met hun boodschap buiten de grenzen van Judea gingen, was het houden van de sabbat in andere delen van het Romeinse Rijk algemeen bekend. In de tijd van de nieuwtestamentische Kerk schreef de Joodse historicus Josephus: “Het grootste deel van de mensheid heeft lange tijd een sterke neiging gehad onze godsdienstige gebruiken te volgen; want er is geen stad van de Grieken, of van de barbaren, of welk volk ook, waar onze gewoonte van rusten op de zevende dag niet is doorgedrongen . . .” (Tegen Apion).

De voorbeelden van Jezus en de apostelen bevestigen dat zij elk van de Tien Geboden geloofden en gehoorzaamden. In geheel het boek Handelingen – geschreven door Lukas, een niet-Jood – worden de sabbat en de jaarlijkse sabbatten uit Leviticus 23 als iets vanzelfsprekends vermeld (Handelingen 13:14, 42, 44; 16:13; 17:2; 18:4; 20:6, 16; 27:9). De vraag of ze gehouden moesten worden was eenvoudig niet aan de orde.

Er blijft een sabbatsrust voor het volk van God
Het boek Hebreeën gebruikt creatieve vergelijkingen om bij de Joodse lezers te benadrukken dat de wekelijkse sabbat een herinnering is aan iets meer dan alleen het feit dat God de Schepper van de Israëlieten was en Degene die hen had bevrijd uit slavernij in Egypte (Exodus 20:8-11; Deuteronomium 5:12-15).

De trouw van Mozes en Christus wordt besproken in de eerste zes verzen van het derde hoofdstuk van Hebreeën. Beginnend in vers 7 wordt Psalm 95 geciteerd, het falen van Israëls eerste generatie als les voor
Gods volk van deze tijd. Ongeloof was de voornaamste oorzaak van het niet ingaan tot de beloofde rust (vers 19).

Het vierde hoofdstuk begint met een vermaning: geloof en gehoorzaamheid zijn voorwaarden voor het ontvangen van de rust die nog steeds voor Gods volk beschikbaar is. Niemand is nog ingegaan tot die rust,
hoewel God deze in feite al gereed gemaakt had vanaf de grondlegging der wereld (Hebreeën 4:3). Ook het feit dat God op de zevende dag rustte van al Zijn werken verwijst daarnaar (vers 4). David sprak in Psalm 95 over een belofte van rust, lang nadat Jozua de tweede generatie van Israël had geleid naar de rust van het beloofde land. Dit bewijst dat de rust die ten tijde van Jozua werd vervuld alleen een type was van een toekomstige grotere rust (Hebreeën 4:6-8).

Rust voor het volk van God
Nu komen we bij een controversiële verklaring: “Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God” (vers 9). Het Griekse woord dat in elk ander vers in Hebreeën 3 en 4 vertaald is met “rust“, is katapausis. Het woord voor “rust” in Hebreeën 4:9 is sabbatismos. Dit is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar dit woord voorkomt, en de betekenis ervan is van fundamenteel belang voor begrip van dit belangrijke vers, dat de conclusie is van alles wat daarvóór is gezegd over “rust“, beginnend in Hebreeën 3:7.

De Anchor Bible Dictionary verklaart de betekenis van sabbatismos als volgt: “Het woord ‘sabbatsrust’ is de vertaling van het [Griekse] zelfstandige naamwoord ‘sabbatismos’, een uniek woord in het Nieuwe Testament. Deze term wordt ook gebruikt in Plutarchus . . . voor het houden van de sabbat, en in vier post-kanonieke christelijke geschriften (niet betrekking hebbend op Hebreeën 4:9) voor ‘sabbatviering’ op de
zevende dag.”

Vervolgens wordt in de Anchor Bible Dictionary de context als volgt verklaard: “De auteur van Hebreeën bevestigt in Hebreeën 4:3-11 door samenvoeging van citaten uit Genesis 2:2 en Psalm 95:7 dat de beloofde ‘sabbatsrust’ nog wacht op volledige vervulling ‘voor het volk van God’ in de . . . eindtijd die was aangekondigd door de verschijning van Jezus [Hebreeën 1:1-3] . . . De ervaring van ‘sabbatsrust’ verwijst naar een tegenwoordige realiteit van ‘rust’ (katapausis), waartoe diegenen ingaan ‘die tot geloof gekomen zijn’ (4:3), en het verwijst naar een toekomstige realiteit van ‘rust’ (4:11). Het fysiek houden van de sabbat door de gelovige onder het Nieuwe Verbond, bevestigd door ‘sabbatsrust’, belichaamt het ophouden met ‘werken’ (4:10) ter herdenking van Gods rust bij de schepping (4:4 = Genesis 2:2) en toont geloof in de door Christus gebrachte verlossing.”

Hebreeën 4:3-11 bevestigt dat de fysieke ‘sabbatsrust’ (sabbatismos) het wekelijkse uiterlijke teken is van de innerlijke ervaring van geestelijke rust (katapausis), waarin de uiteindelijke . . . rust reeds ‘heden’ wordt . . . ervaren (4:7). Zo combineert ‘sabbatsrust’ in zichzelf het herdenken van de schepping, het ervaren van de verlossing en het verwachten van de eschaton [eindtijd] . . .”

Samenvattend: de Anchor Bible Dictionary concludeert terecht dat sabbatismos het houden van de zevende dag alssabbat betekent. Daarom benadrukt Hebreeën 4:9 de noodzaak de sabbat te blijven houden in de context van het Nieuwe Verbond, tevens alle betekenissen onder het Oude Verbond omvattend.

Andere betekenis van de sabbat
Het boek Hebreeën is gericht tot bekeerde Joden, om de overgang van het Oude Verbond naar het Nieuwe Verbond te verklaren. De sabbat en de besnijdenis zijn lang beschouwd als twee van de fundamentele leerstellingen van het judaïsme, waardoor de Joden werden geïdentificeerd als “het volk van God“. In de tijd van Christus was de betekenis van de sabbat echter begraven onder een berg van geboden en verboden.

De sabbat was een zware last geworden doordat het houden van de sabbat ontaardde in onderwerping aan het door de schriftgeleerden en Farizeeën in stand gehouden legalisme. Jezus Christus veroordeelde deze menselijke tradities en gaf het voorbeeld van hoe de sabbat te houden als een door God aan de mens gegeven geschenk (Markus 2:27-28).

Verheffing van de sabbat
Zou er iets passender kunnen zijn voor het boek Hebreeën dan de verheffing van de sabbat tot de volle betekenis en bedoeling ervan in het plan van God?

De sabbat behoudt dus de betekenissen zoals onder het Oude Verbond, het identificeren van Gods speciaal geheiligde volk (“het volk van God”) en het verwijzen naar God als Schepper. Daaraan toegevoegd wordt de betekenis onder het Nieuwe Verbond: het door Christus binnengaan in een andere rust, als type vervuld door de rust die in Jozua’s tijd aan Israël werd gegeven (Hebreeën 4:8).

Deze geestelijke rust begint nu in dit leven en komt tot volledige vervulling in de opstanding tot eeuwig leven bij de wederkomst van Christus (Openbaring 20:6). Zijn terugkeer kondigt ook het begin aan van de in het Oude Testament geprofeteerde rust van het millennium.

Het boek Hebreeën verweeft op kunstige wijze drie thema’s van rust: de aan Israël beloofde rust van haar vijanden, de wekelijkse sabbat en de geestelijke rust door Christus. De conclusie is dat het houden van de sabbat nog steeds noodzakelijk is voor het volk van God, de nieuwtestamentische Kerk.

Wat is ware aanbidding?
Een thema in dit boekje is het concept van “aanbidding“. De meeste mensen denken bij aanbidding aan een soort openbare eredienst met lofgezangen, gebeden en een duidelijk omschreven liturgie. Zulke diensten belichamen voor velen wat aanbidding van God betekent. Maar dit geeft alleen een gedeeltelijk beeld.

Een woordenboekdefinitie van aanbidding is “verering van een goddelijk wezen“. Het woord verwijst naar respect en eerbied ten opzichte van God.

Erkenning van God
Ongetwijfeld kunnen uiterlijke religieuze gebruiken, met hun rituelen, ceremoniën en gebeden, blijk geven van aanbidding. Maar we moeten zorgvuldig acht slaan op wat God ons zegt in Zijn Woord, de
Bijbel.

God maakt duidelijk dat Hij diegenen zoekt die Hem aanbidden “in geest en in waarheid” (Johannes 4:23-24). Toen Satan Christus ertoe trachtte te verleiden hem te aanbidden, gaf Jezus Christus hem een strenge
berisping: “De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen” (Mattheüs 4:10). De apostel Paulus stelde het vereren van God gelijk aan “gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat” (Handelingen 24:14), verwijzend naar wat wij het Oude Testament noemen.

God wil dat de mensheid Hem aanbidt in waarheid. We doen dat door Hem te eren, door Hem te dienen en door aandacht te schenken aan Zijn instructies. God vraagt ons te leven “van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat” (Mattheüs 4:4). Onze aanbidding van God wordt zichtbaar in de wijze waarop wij ons dagelijks leven leiden. Het christen zijn is een levenswijze, een “weg” (Handelingen 18:25-26; 19:9, 23; 22:4; 24:14, 22). Het is een wijze van denken, handelen en leven. Het heeft invloed op elk aspect van ons leven.

Wat ware aanbidding betekent
Ware aanbidding van God betekent niets minder dan de innerlijke verandering van het menselijk hart door geloof in Jezus Christus en Zijn offer. Uiterlijke gebruiken zijn op zichzelf ontoereikend. God zoekt degenen die Hem aanbidden in geest, vanuit een bekeerd en veranderd hart.

Ware aanbidding is derhalve veel meer dan het prijzen van God in een openbare eredienst. Deze bredere betekenis wordt aangegeven door het feit dat vijf Griekse werkwoorden in het Nieuwe Testament worden vertaald met “aanbidding“. “De aanbidding van God wordt nergens in de Bijbel gedefinieerd . . . Het is niet beperkt tot lofprijzing; in brede zin kan het beschouwd worden als de directe erkenning van God, van Zijn natuur, eigenschappen, gewoonten en rechten, hetzij door een gevoelsuiting vanuit het hart in lofprijzing en dankzegging, of door daden waaruit deze erkenning blijkt” (W.E. Vine, Vine’s Expository Dictionary of New Testament Words).

Jezus Christus gaf de religieuze leiders van Zijn tijd een scherpe berisping, omdat zij Gods geboden verkeerd voorstelden en vervingen door hun eigen menselijke leerstellingen (Mattheüs 15:9; Markus 7:7). Hij zei dat zulke verering zinloos was. Christus waarschuwde met scherpe bewoordingen diegenen die belijden God te aanbidden (die zeggen “Here, Here,” Mattheüs 7:21), maar weigeren Gods wil te doen of Zijn wetten te gehoorzamen (vers 21-23). Een dergelijke aanbidding is zonder inhoud en waarde, onaanvaardbaar voor God en Jezus Christus.

Wij leven in een tijd waarin veel mensen teleurgesteld zijn in traditionele erediensten. Zij vinden deze leeg, zonder betekenis en niet van toepassing op hun dagelijks leven. Wanneer we echter gaan begrijpen wat de werkelijke betekenis is van ware aanbidding, wordt het van het allerhoogste belang voor ons leven in deze tijd en voor onze bestemming.

Sabbat vol hedendaagse betekenis
Veel mensen, en vooral belijdende christenen, zouden misschien geschokt zijn als ze vernamen dat de op de zevende dag gehouden sabbat – de door God geboden dag van rust en gezamenlijke eredienst – niet is
afgeschaft voor hedendaagse christenen. Dit gebod blijft zeer zeker van kracht, zoals in dit boekje wordt aangetoond. Het is vol betekenis en van het grootste belang voor het leven van ieder mens. Wij missen geweldige zegeningen van God als we de door Hem geboden rustdag negeren.

Ware aanbidding van God eert Gods geboden betreffende de sabbat. Het houden van de zondag daarentegen berust niet op het gezag van God of van Zijn Woord, maar op menselijk gezag. Het is de vraag of God een dergelijke vorm van aanbidding aanvaardt, als Zijn duidelijke geboden betreffende Zijn sabbat genegeerd worden.

De sabbat in het toekomstige tijdperk
God schiep de sabbat voor de mens (Markus 2:27) en er zal ooit een tijd komen waarin de gehele mensheid Gods sabbat zal houden.

De Bijbel spreekt erover dat Gods Koninkrijk op aarde gevestigd wordt wanneer Jezus Christus terugkeert om te heersen als “Koning der koningen en Here der heren” (Openbaring 11:15; 19:11-16). Hij zal regeren over zonen van God, die veranderd zullen worden in geestelijke wezens en met Christus ten tijde van Zijn tweede komst zullen heersen in het Koninkrijk van God; daarnaast zal Jezus ook heersen als Hoofd van een letterlijke regering over fysieke naties op aarde (Psalm 22:28-29; 72:1-11; Daniël 2:34-35; Micha 4:2; Jesaja 2:2-3; Hebreeën 8:7-13).

De gehele mensheid zal Gods sabbat leren houden: “En het zal geschieden van nieuwe maan tot nieuwe maan en van sabbat tot sabbat, dat al wat leeft zal komen om zich voor Mijn aangezicht neer te buigen, zegt de HERE” (Jesaja 66:23).

De sabbat zal gehouden worden door niet-Joden en degenen die nooit deel van het fysieke volk Israël zijn geweest. “Zo zegt de HERE: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want Mijn heil staat gereed om te komen en Mijn gerechtigheid om zich te openbaren. Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet . . . Want zo zegt de HERE van de ontmanden, die Mijn sabbatten onderhouden en verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan Mijn verbond: Ik geef hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan Mijn verbond: hen zal Ik brengen naar Mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in Mijn bedehuis” (Jesaja 56:1-2, 4-7). Het houden van de sabbat wordt specifiek genoemd als een onderdeel van het verbond dat God in die tijd met alle volkeren zal sluiten.

Als u meer wilt weten. . .

Wie wij zijn
Deze publicatie wordt uitgegeven door de Verenigde Kerk van God. Deze kerk is verbonden met de United Church of God, an International Association, welke dienaren en gemeenten heeft in de Verenigde Staten, Canada, Midden- en Zuid-Amerika, Europa, Australië, Afrika, Azië en de Caraïbische eilanden.

Onze oorsprong is te vinden in de Kerk die door Jezus Christus werd gesticht in de eerste eeuw. Wij volgen dezelfde leer, doctrines en gebruiken die toen werden ingesteld. Onze opdracht is aan de gehele wereld het evangelie van het komende Koninkrijk van God te verkondigen als een getuigenis en alle volkeren te leren onderhouden wat Christus gebood (Mattheüs 24:14; 28:19-20).

Gratis
De Verenigde Kerk van God biedt deze en andere publicaties gratis aan. Wij zijn dankbaar voor de royale tienden en offeranden van de leden van de kerk en anderen die vrijwillig bijdragen geven om dit werk te steunen.

Wij vragen het grote publiek niet om geld. Bijdragen om ons te helpen deze boodschap van hoop met anderen te delen worden echter dankbaar aanvaard. Onze boeken worden jaarlijks door onafhankelijke accountants gecontroleerd.

Persoonlijk advies beschikbaar
Jezus gebood Zijn volgelingen om Zijn schapen te weiden (Johannes 21:15-17). Om deze opdracht te volbrengen heeft de United Church of God over de gehele wereld bijeenkomsten, waar gelovigen samenkomen om onderricht te ontvangen vanuit de Bijbel en om persoonlijk contact te hebben met elkaar.

De Verenigde Kerk van God is toegewijd aan het leren verstaan en beoefenen van het nieuwtestamentische christendom. Wij willen graag Gods levenswijze bekend maken aan hen die ernstig streven naar het aanbidden en volgen van onze Verlosser, Jezus Christus.

Onze dienaren zijn beschikbaar om te adviseren, vragen te beantwoorden en uitleg te geven van de Bijbel. Als u graag in contact wilt komen met een dienaar of een van onze bijeenkomsten wilt bezoeken, schrijft
u dan gerust naar ons dichtstbijzijnde adres.

Auteur: Scott Ashley
Met medewerking van: John Bald, Dixon Cartwright, Roger Foster,
Bruce Gore, Mark Kaplan, Paul Kieffer, Rod McQueen, John Meakin, Peter
More, Peter Nathan, Brian Orchard, Gary Petty, Richard Thompson, Larry
Walker, Leon Walker, Donald Ward, Lyle Welty, Dean
Wilson
Omslag: Shaun Venish

 

ADRESSEN

Nederland
United Church of God Holland
P.O. Box 93
2800 AB
Gouda

Deutschland
Vereinte Kirche Gottes
Postfach 30 15 09
D-53195
Bonn

Suisse
Eglise de Dieu Unie-France
B.P. 51254
45002
Orléans Cedex 1

Italia
Chiesa di Dio Unita
Casella Postale 187
24100
Bergamo

U.S.A. (Spaans)
United Church of God
P.O. Box
458
Big Sandy, TX 75755

U.S.A.
United Church of God (IA)
P.O. Box 541027
Cincinnati,
OH 45254-1027

Australia
United Church of God – Austalia
GPO Box
535
Brisbane, Qld. 4001

Canada
United Church of God – Canada
Box 144 Station
D
Etobicoke, ON M9A 4X1

South Africa
United Church of God
P.O. Box 2209
Beacon Bay,
East London 5205

United Kingdom
United Church of God
P.O. Box 4052
Milton
Keynes, Bucks MK13 7ZF

%d bloggers liken dit: